Valery Gergiev & Wiener Philharmoniker – dag 1, Carnegie Hall

Een stad in het krijt

New York staat voor altijd bij Claude Debussy in het krijt. Toen de stad zijn 'La mer', vandaag aanzien voor zijn symfonische magnum opus, voor het eerst te horen kreeg, waren de kritieken immers niet mals. In de Times luidde het vernietigende oordeel ‘persistently ugly’ en de Post vroeg zich af of de componist die zoiets schreef wel in staat was tot een degelijke melodie. Dat 'La mer' bijna een eeuw na datum nog frequent de concertzaal haalt, bewijst dat de oren toen nog niet klaar waren voor Debussy’s parelende orkestspel.

Dat de componist anno 2016 dubbel wordt vergoed voor de schande van weleer, is dus op zijn plaats. Dubbel? Jazeker. Met Valery Gergiev kwam een van de drukst bezette maestro's van het moment dit monument uitvoeren en als aanvoerder van de Wiener Philharmoniker had hij musici van formaat onder zijn hoede. Gergiev en Debussy vormen evenwel niet de meest voor de hand liggende combinatie. De Rus is namelijk bij uitstek de dirigent van het grote, existentiële gebaar. De meer abstracte taal van de Franse impressionist communiceert daarentegen niet programmatisch, maar meer abstract. Wel figuratief, maar niet welomlijnd plotmatig.

Wie vanuit die wetenschap bedacht dat het vooral uitkijken was naar Wagner en Moessorgski, kreeg geen ongelijk. Hoewel ook aan 'La mer' heel wat viel te beleven. Niet elke uitgewerkte cel vond een plaats in het verhaal dat Gergiev voorbij de noten construeerde, kortom de lezing werd er een van momenten. Behalve in kleinere golven werkte het orkest echter ook in grotere; een dubbele synchroniciteit maakte de interpretatie dubbel zo intrigerend. Reactieve houtblazers en excellent koper: het waren alvast twee voorwaarden die een elektriserende interpretatie van 'La mer' garandeerden. Tel daarbij de warmte van Wenens beroemde strijkerssectie op, en daar staat een droomploeg klaar.

Wagners 'Der fliegende Holländer' is dan weer van een totaal andere orde. Als eerste creatie waarin de componist een duidelijke visie en idiomatische richting had gekozen, weet de luisteraar zich vanaf de eerste seconde aan het pluche gekluisterd. Zeker bij Gergiev. De eerste seconden van de partituur bliezen een buitengewoon charisma door de zaal. Van het Holländer-thema kleurde de dirigent via de bassen de duistere tinten bij. Senta’s thema had daarentegen wat meer ademruimte nodig. Als geheel vormde de prelude niettemin een eerste staalkaart van het kunnen van dit orkest. En doorheen Moessorgski's 'Schilderijententoonstelling' volgen er nog zo een paar.

Het werk is een van de paradepaardjes van Gergiev, die het in een recent verleden nog inblikte met zijn Mariinsky. Tegenover die eerder afgekookte registratie kwam live een levend iets te staan, een episch gedicht waarvan de hoofdstukken naadloos in elkaar overgingen. Niet alleen prikkelend was de dramaturgie van de cliffhangers, want ook hier leek binnen een ondefinieerbare dimensie alles in verhouding te staan. De cyclische structuur werd doorbroken door de nimmer aflatende stroom van nieuwe impulsen. Tegelijk schiep Gergiev een coherentie die in dit werk niet zelden ontbreekt, omdat het uiteindelijk de fragmenten zijn die het stuk zijn identiteit geven.

En dan nog een toetje, toe? Inderdaad, Gergiev stuurde een afgeladen volle zaal niet met Hartmanns demonen huiswaarts. Twee walsen, de een al fortuinlijker dan de ander, gingen er bij de overgrote meerderheid als zoete koek in. Nou ja, waarom niet? Ook dit is per slot van rekening het Wenen waarop de Wiener een patent heeft.