Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks & Mariss Jansons, BOZAR Brussel

Broosheid van een monoliet

Oude principes nieuw leven in blazen: het is wat Anton Bruckner zijn leven lang heeft gedaan. In een tijd toen sleutelfiguren de principes van harmonie en vorm op hun grondvesten deden daveren, greep de componist terug naar de traditie. Het idee was om vanuit de bron van het verleden een muzikaal heden te construeren dat niet ontroerde omwille van haar radicale eigengereidheid, maar om de creativiteit waarmee afgedankt erfgoed werd opgeblonken.

Het genre van de symfonie waarbinnen Bruckner vormvaste structuren aangrijpt, de op 19e eeuwse consonantie gebaseerde grandeur, de onderstroom van devotie: nog tijdens Bruckners leven lokte het wisselende reacties uit. En ook vandaag loopt niet iedereen warm voor het logge orkestapparaat van de componist, de lange adem van diens bewegingen en de archaïsche signatuur. Toch stroomt de meest prestigieuze zaal van ons land vol wanneer Bruckners achtste symfonie op de agenda verschijnt. Hoezo?

Bruckners laatste voltooide partituur in BOZAR kunnen horen met het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks: het betekent een hoogdag voor melomanen. Hoewel chefdirigent Mariss Jansons niet bekend staat als iemand die in het grote repertoire ostentatief alternatieve accenten probeert te leggen, was zijn interpretatie niet bepaald orthodox. Niet oninteressant om te vermelden is dat de dirigent opteerde voor de geredigeerde versie die Bruckner zelf van zijn symfonie maakte en die door Leopold Nowak in 1955 werd uitgegeven. Op enkele cruciale momenten verschilt deze uitgave van de Haas-editie, die wat gevoeliger is voor effecten maar die de intenties van de componist daarom eerder minder dan meer lijkt te benaderen.

Over het waarom van deze of gene versie hebben musicologen zich reeds tot in den treure gebogen, maar zonder dat hele debat hier over te doen is het essentieel te stipuleren dat Jansons principieel naar de kern van Bruckners eigen ideeëngoed is willen gaan. De keuze voor de Nowakzetting is daar zeker niet het enige argument voor. Frappant was immers dat het grootste spektakel doorheen Jansons lezing schuil leek te gaan in de intieme registers. Zijn aandacht voor de tussenstemmen vormde bovendien een schoolvoorbeeld van wat transparantie aan gevoelsmatige kracht kan induceren.

De minutieuze dramaturgie van de solistische interventies – vooral dan in de eerste twee bewegingen – waarna de klemtoon meer en meer kwam te liggen op de gelaagdheid van het symfonische weefsel: het toonde hoe detailzucht wel degelijk in het teken kan staan van de overkoepelende atmosfeer. Meer dan inzetten op een vlot kabbelend parcours – bij Bruckner nooit een eenvoudige opgave omwille van de juxtapositie van fel contrasterende entiteiten – koos Jansons ervoor om elk van de muzikale eenheden op zichzelf te beschouwen. Deze achtste was geen rollercoaster van hoogte naar laagte en terug, maar veeleer een meditatieve contemplatie, een almaar fijner geschakeerd portret van menselijk lijden onder een goddelijk firmament.

Onverwacht liet het anders vlekkeloze Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks zich verleiden tot enkele onvolmaaktheden. De kopersectie ging een sporadische keer de mist in, en niet elke inzet verliep feilloos. Het orkest groeide echter in de uitvoering, en kon als tegengewicht voor technische manco’s intellect, engagement en poëzie in de balans leggen. Het onomwonden pathos van de strijkers en de warmte van het hout: het zal in het memorie blijven, zelfs al was dit geen referentie-uitvoering.