Robert Schumann, ‘Cello concerto & piano trio no. 1’

Derde keer, beste keer

Aan sommige projecten zou gewoonweg geen einde mogen komen. Of toch? Net in de eindigheid ervan gaat zo af en toe een deel van de magnifieke schoonheid schuil. Neem bijvoorbeeld de drie opnames die violiste Isabelle Faust, pianist Alexander Melnikov en cellist Jean-Guihen Queyras aan Schumanns muziek hebben gewijd. Door gespreid over drie cd’s – die bovendien telkens van een live-dvd vergezeld gingen – de luisteraar te confronteren met een concerto én met een pianotrio’s, willen de musici hun publiek doordringen van zowel de door gevoel overwoekerde statige grandeur van de grotere werken als van de intimiteit en onmiddellijke emotionele slagkracht van kamermuziek.

De ongewone ervaring van het zappen tussen het solistisch geïnspireerde in de concerti en het ultiem democratische van de trio’s is niet vanzelfsprekend. Het is het onrustig woelende van Schumanns natuur dat een draad spant over zijn oeuvre heen, waardoor het naast elkaar plaatsen van zulke uiteenlopende bezettingen niet als een kunstgreep aanvoelt. Niettemin was de tegenstelling tussen concerto en kamermuziek binnen de eerdere volumes zo groot. Als solist profileert Queyras zich immers als een maniërist, zij het niet in de pejoratieve betekenis van het woord. Elke beweging in de muziek is er een vanuit de ziel: het is alsof het ambachtelijke aspect van de uitvoering volledig verdwijnt in het uitbeelden van wat de componist voor ogen had.

De muziek houdt als het ware op muziek te zijn en wordt abstracte, aan de stemmen van het gemoed appellerende betekenis. Het celloconcerto transformeert in een vanzelfsprekend auditief gedicht, een stuk dat weliswaar uit muzikale grammatica bestaat, maar tegelijk aan de heldere, eenduidige regels ervan ontsnapt. Pablo Heras-Casado begrijpt bovendien goed dat hij de orkestpartij niet moet opkalefateren. Met enkele ruwe vegen lijnt hij Queyras’ vertellingen af, waarbij het Freiburger Barockorchester meer dan ooit vanuit de buik interpreteert. Nergens eist de dirigent uitdrukkelijk de aandacht op. Hij krijgt die evenwel en wel dankzij zijn prikkelend-impulsieve basisingesteldheid.

In het ongelikte opus 63 gooit Queyras vervolgens toch de remmen los. Hij offert zijn hang naar ongenaakbare perfectie op om niet langer het hoofd, maar wel het hart te laten spreken. Reikt het concerto naar het hogere, dan is Schumanns eerste trio in deze rijkgeschakeerde uitvoering een ontwapend rauwe en toch poëtische schets van de menselijke conditie. Een hemelsbreed contrast dus, met de nadruk op hemels.