Richard Wagner, ‘Götterdämmerung - Die Meistersinger von Nürnberg - Siegfried-Idyll’

Wagner voorbij de Wagneriaanse clichés

Als er één negentiende-eeuwse componist is wiens megalomanie schijnbaar niet te verenigen valt met de goedaardige en goedlachse inborst van dirigent Iván Fischer, moet het wel Richard Wagner zijn. Diens uitgesponnen opera’s - volgestouwd met wat volgens sommigen simpelweg aaneenschakelingen zijn van schier eindeloze symfonische excessen, volgens anderen niets anders dan ongeëvenaarde lyrische ontboezemingen - lijken intuïtief niet compatibel met de ongecompliceerde vreugde, de ontwapenende verwondering en de grote helderheid die meestal van Fischers directie uitgaat.

Toch heeft de Hongaarse dirigent veel respect voor Wagner. Hij was immers meer dan een componist die het menselijke verlangen in opera’s van onoverzienbare omvang heeft gegoten. Librettist van zijn eigen muzikale creaties, brein achter de mythes waarop zijn teksten waren gegrondvest, architect van wat volgens hem een ideale muziektempel was, naast regisseur en dirigent: hoe Gesamt kan één figuur zijn?

Wagners polemische correspondentie, zijn radicale en voluptueuze stijl en zijn biografie (doorspekt met conflicten): het droeg allemaal bij tot het aura rondom de componist, dat muziekliefhebbers niet zelden in hevige voor- en tegenstanders heeft verdeeld en dat tot op heden doet. Wat Iván Fischer met dit album aan het licht brengt, is dat Wagner ook los van het concrete discours van zijn leven en werk kan beschouwd worden. Wagner als componist van de meest fonkelende muziek, componist van grote passie, grote blijdschap en groot gemis. Punt uit.

Eindelijk is het nog eens de muziek waar het allemaal om draait. Eindelijk worden enkele van de meest formidabele fragmenten uit de opera’s uit hun context getild en onafhankelijk gepresenteerd. En eindelijk staat de glinsterende weemoed van de ‘Siegfried-Idyll’ te blinken naast de geestigheid van de prelude tot ‘Die Meistersinger von Nürnberg’. Eindelijk, Wagner ontdaan van de plechtstatigheid waarmee zijn oeuvre doorgaans wordt benaderd. Eindelijk!

Dat het Budapest Festival Orchestra geen geroutineerd Wagner-orkest is, heeft als gevolg dat het zich onverdroten en met grote nieuwsgierigheid in diens universum onderdompelt. De ‘Siegfried-idylle’ wordt er alleen maar melancholieker op, de voorzet tot ‘Die Meistersinger’ alleen maar gewiekster. Bovendien smeedt Fischer de passages uit ‘Götterdämmerung’ - ondanks dat de sopraan van Petra Lang eerder licht uitvalt - tot een briljant culminatiepunt. Het grandioze slot blijkt (letterlijk) het brandpunt van de negentiende-eeuwse romantiek. Eindelijk!