Richard Strauss, 'Eine Alpensinfonie & Tod und Verklärung'

Waar dood krioelt van leven

Hoe sterven klinkt? Richard Strauss zou het geweten hebben. Intimi getuigden dat de componist op zijn sterfbed, ongeveer zestig jaar na ‘Tod und Verklärung’ te hebben voltooid, gezegd heeft dat doodgaan precies zo voelde zoals zijn opus 24. Aan dat abstracte toondicht verbindt Mariss Jansons op zijn jongste album het opus 64, waarschijnlijk Strauss’ meest concrete verwezenlijking binnen het genre. Alle staties van een tocht vanuit het dal naar de top van een berg en terug worden in ‘Eine Alpensinfonie’ overlopen, met als verbindende gedachte een lofzang op de grandeur en de mystiek van de natuur.

De onstaansgeschiedenis van de Alpensymfonie is echter niet onbelangrijk. Oorspronkelijk wou Strauss zijn muzikale ideeën verwerken tot een stuk dat ‘Antichrist’ zou gaan heten en gebaseerd was op lectuur van Nietzsche. Onderweg gooide de componist het roer om, en inderdaad is de finale partituur een muzikale afbeeldingen geworden van ervaringen tijdens een bergwandelingwandeling. Dirigenten die zich blind staren op het figuratieve aspect van de muziek, lopen evenwel het gevaar in pronkerig effectbejag te belanden. Een uitvoering verwordt dan tot een monochroom filmisch discours, waarbij de muziek ophoudt bij het verklanken van scènes.

Jansons kiest integendeel voor een lezing die hier en daar afstand neemt. In zijn interpretatie kan de muzikale weelde op geen enkel moment herleid worden tot louter een middel om een gevoel of een beeld over te brengen. Het werk is onder zijn baton tegelijk absoluut en programmatisch, tegelijk soeverein en gedienstig aan het uitgestippelde narratief. Dat een uitvoerder daarin een evenwicht bereikt, is uitzonderlijk. Zo een uitvoerder in gezelschap weten van een weergaloos orkest zoals het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, mag bovendien een zegen heten.

Zowel ‘Eine Alpensinfonie’ als ‘Tod und Verklärung’ werden live ingeblikt. Opnametechnisch is dat doorheen het opus 24 wel degelijk te merken, maar de gewaarwording dat Strauss’ tijdloze reflectie over dood en transfiguratie zich in de spanning van een wegebbend hier en nu voltrekt, vergroot de geheimzinnige tensie die al van de eerste maten uitgaat. Jansons ontspint een diep menselijk ritueel, zonder zich in detailzucht te verliezen. Ook de Alpensymfonie etaleert trouwens volmaakte ambacht: het evenwicht tussen precisie op het niveau van solisten, balans, frasering en zinsbouw gaat gepaard met een onfeilbaar instinct voor de omvattende structuur. Of hoe Jansons’ eclatante discografie alweer een mijlpaal rijker geworden is.