Pierre-Laurent Aimard, Violeta Urmana, Gábor Bretz, Philippe Jordan & Wiener Symphoniker, Musikverein

Vroeg werk, rijp werk

Pierre-Laurent Aimard en de pianoconcerti van Beethoven: het is liefde voor het leven. Sinds zijn integrale opname met de betreurde Nikolaus Harnoncourt en het Chamber Orchestra of Europe, zijn de werken in het laatste anderhalve decennium niet meer uit zijn repertoire verdwenen. Met specifiek het tweede pianoconcerto was de Franse pianist overigens drie seizoenen geleden nog te gast in BOZAR. Toen speelde hij het ‘Cantabile’ uit Ligeti’s ‘Musica ricercata’ voorafgaand aan Beethovens opus 19. Deze keer kreeg het publiek diezelfde partituur als bisnummer te horen. In de stad waar Ligeti zijn laatste rustplaats heeft gekregen geen onlogische keuze.

Anekdotiek is evenwel niet aan Aimard besteed. Dat hij deze keer voor Ligeti koos, duidde hij als transitie van een vroege Beethoven naar een vroege Bartók. Inderdaad deed de componist van de ‘Musica ricercata’ zijn partituur op latere leeftijd af als een jeugdzonde, kortom was het bisnummer op zijn plaats. Werkelijk ontroeren deed Aimard echter via zijn principiële helderheid doorheen Beethoven.

In de cadens van het eerste deel van het opus 19 leek hij even verloren te zullen lopen, maar afgezien daarvan was zijn parcours vlekkeloos. Sensitief omspringend met fraseringen, gevoelig voor contrasten, direct emotioneel in zijn aanpak en nergens overdreven, behoort Aimard tot de grote Beethoven-interpreten, welke meningen er over zijn opname met Harnoncourt ook de ronde mogen doen. Chefdirigent van de Wiener Symphoniker Philippe Jordan is echter niet uit hetzelfde hout gesneden als Harnoncourt. Van iemand die indertijd furore heeft gemaakt in de opera, valt te verwachten dat het drama op de eerste plaats komt.

Anders dan Aimard, die via esthetiek tot betekenis komt, is Jordan belust op tensie. Gretig ging hij aan de slag met de orkestpartijen, in een verwoede poging om ze met kleurrijke accenten nog meer diepte te geven. Dat de overdrijving dan op de loer ligt, spreekt voor zich. Jordan bediende zich echter slechts een sporadische keer van een hyperbool. Daarbij overigens hulde voor de uitstekende solisten. Vooral hoorn en fluit vervulden immers glansrollen. Dat solist en dirigent er niet helemaal dezelfde visie op nahielden, bleef desondanks voelbaar. Weliswaar onder het oppervlak van wat uiterlijk een erg geslaagde interpretatie leek.

Evident is de koppeling van Beethovens nobele concerto aan een concertante opvoering van Bartóks enige opera ‘Hertog Blauwbaards burcht’ in ieder geval niet – maar waarom zouden programma’s altijd eenvoudig behapbaar moeten zijn? Van het stralende licht naar de krochten van de ziel, van het idee van de hoop naar de lust en de onkenbaarheid van de ander: denken dat een publiek zoiets niet slikt, zou getuigen van betutteling.

Vraag blijft of Jordan de ideale figuur is om met deze partituur aan de slag te gaan. De dirigent verwerkelijkte golven waarin het schone en het verschrikkelijke met elkaar in aanraking kwamen, en zodoende moet gezegd dat hij het genie van het werk aanschouwelijk wist te maken. Wat evenwel ontbrak, was de organische dimensie. De spontaan evoluerende stemmen met harmonische en motivische reminiscenties: het moet als vanzelf uit het orkest vloeien. Dat deed het niet. In de plaats koos Jordan voor effecten en luide volumina, wat het werk eigenlijk meer kwaad dan goed deed.

Violeta Urmana en Gábor Bretz vertolkten niettemin hartstochtelijk, met Urmana als wispelturige Judith en Bretz als breekbare Blauwbaard. Alsnog een lezing om te koesteren dus, ook al lieten orkest en dirigent kansen liggen.