Miah Persson, Iván Fischer & Budapest Festival Orchestra, deSingel Antwerpen

Samen tussen 'Welt und Traum'

Een kinderlijke kijk op het paradijs: dat is in essentie wat Mahler in zijn vierde symfonie verklankt. Een mens komt vingers tekort om het aantal prijzen op te sommen dat de inmiddels vijf jaar oude opname van dat werk door het Budapest Festival Orchestra met chefdirigent Iván Fischer in de wacht sleepte. Vakbladen haalden destijds alle lofbetuigingen uit de kast die ze maar konden verzinnen en dat die het Belgische publiek hebben bereikt, bewees de massale opkomst in deSingel. Zelfs de voetballiefhebbers in de zaal zullen naderhand niet wakker gelegen hebben van de spektakelmatch waarmee het nationale elftal diezelfde avond Andorra terug richting Pyreneeën stuurde.

Vanuit een vanzelfsprekend aanvoelen van Mahlers humor, ironie, extase en pathos benaderde Fischer de laatste van diens Wunderhorn-symfonieën in een doorgedreven streven naar evenwicht. Via het detail bouwde hij aan de grote lijn, zonder afzonderlijke muzikale entiteiten daarbij een te groot gewicht te geven in verhouding tot het geheel. Al in de eerste tien seconden ontlokte de dirigent een glimlach bij zijn publiek, door de uitgesproken naïviteit van de openingsfrase als de eerste stapjes van een over het universum verwonderde peuter ontwapenend eenvoudig vorm te geven. Later werd die glimlach een grijns, een grimas, een stille gniffel of een amper te onderdrukken grinnik. Fischer doorliep het hele gevoelsmatige spectrum: niet gezien door de ogen van een door religie of lijden geïnspireerde Mahler, maar gestalte gegeven vanuit de onderstroom van een kinderlijk, onschuldig bewustzijn.

Toch kan een fenomenaal dirigent een concert in zijn eentje onmogelijk het etiket ‘legendarisch’ bezorgen. Alle lof dus voor het Budapest Festival Orchestra, dat Fischers glasheldere stijl – zijn directie is een ongedwongen koppeling van edelheid aan primitiviteit – in een even transparante klank wist om te zetten. Aangevoerd door Szőke Zoltán beschikt het orkest misschien wel over de meest formidabele hoornsectie wereldwijd. Ákos Ács zat een trio uitstekende klarinetten voor en Gabriella Pivon leidde een al even uitnemende serie fluiten. Een onberispelijke Violetta Eckhardt stond als concertmeester eigenlijk model voor het hele orkest, waarin alleen de trompetten wel eens aan zuiverheid moesten inboeten. Sopraan Miah Persson zorgde overigens voor een passend orgelpunt: ze gleed mee in de fonkelende atmosfeer waarin de hele uitvoering baadde, en breidde er een aandoenlijk slot aan.

In Richard Strauss’ ‘Vier letzte Lieder’ wist de sopraan minder te begeesteren. Het orkest musiceerde minder precies en waar Fischer de uitgelezen man is om de dikwijls groteske en weerbarstige contrasten bij Mahler te interpreteren, blijft hij voor Strauss wat te licht. De ‘Lieder eines fahrenden Gesellen’ bleken dan weer wel ideaal voor Fischer en gevolg. Discreet geestige accenten, uitgesproken lichtzinnigheid of dromerige melancholie: niets werd smakeloos uitvergroot. Bariton Tassis Christoyannis liet zich overigens gewillig regisseren: zijn interpretatie getuigde van een groot dramaturgisch vernuft.

Wie gelooft dat Fischer aan dit programma niets meer toe te voegen had, vergat dat de concertervaring voor hem geen museaal anachronisme is, maar absolute tegenwoordigheid die draait om schoonheid, troost en verbondenheid. Voor een streepje Mozart gingen heel wat instrumenten aan de kant en vormde een deel van het orkest ineens een koor. De puntjes op de i - de i van ingenieus en imposant. Een adembenemende concertavond.