Matthias Goerne & Pierre-Laurent Aimard, BOZAR Brussel

Geen kippenvel op commando

Een programma samenstellen voor een liedrecital is telkens weer een gewichtige kwestie. Men kan in grote cycli denken en een avond grotendeels vullen met bijvoorbeeld Schuberts bundels ‘Winterreise’ of ‘Das Schwanengesang’. Wat tenor Werner Güra op zijn laatste opname voor Harmonia Mundi echter doet, is een heterogene selectie Schubert-liederen samenvoegen onder een thematische noemer. Door vaak gezongen liederen naast enkele minder frequent uitgevoerde te plaatsen, ontstaat een heel evenwichtig programma dat tegelijkertijd ontroert en verbaast. Matthias Goerne en Pierre-Laurent Aimard opteerden in het Paleis voor Schone Kunsten voor een soortgelijk concept, waarin grotere gehelen naast op zichzelf staande 'Lieder' werden geplaatst. Maar door de cycli op te sparen voor het eerste deel en in het tweede deel op de tast doorheen de Germaans-romantische traditie te wandelen, raakte het concert toch enigszins uit balans.

Matthias Goerne is een van de weinige baritonstemmen die een wereldvermaarde reputatie genieten. Opmerkelijk, maar tegelijk ook kenmerkend voor een groot genie, is dat hij heel diverse muziek op zijn palmares heeft staan. Bij Deutsche Grammophon verscheen een paar jaar geleden een album vol Bach, terwijl de muzikant zeer recent nog de partij van Orestes vertolkte in Richard Strauss’ ‘Elektra’ onder Valery Gergiev. Wat daar tussenin zit, is de omvangrijke cataloog van het Duitse lied, in de romantiek als het ware geïntroduceerd via de figuur van Franz Schubert. Dat die laatste niet kon ontbreken doorheen dit recital was logisch: Goerne werkt momenteel aan elf Schubertvolumes voor Harmonia Mundi, waarvan de eerste zes al op grote bijval konden rekenen. Met de ‘Gesänge des Harfners’ namen Goerne en Aimard uiterst delicate muziek onder handen, om daar in het tweede deel nog drie andere van zijn composities aan toe te voegen. Interessant was dat Goerne, in de gedaante van Beethoven, helemaal naar het klokhuis van het romantische lied terugging. Met de ‘6 Lieder, opus 48’ en ‘Wonne der Wehmut, opus 83 nr. 1’ trok de bariton het recital voor en na de pauze traag poëtisch op gang.

De componist bij uitstek die Beethoven en Schubert oppikte en in hun traditie verder werkte, was Johannes Brahms. Van zijn ‘4 ernste Gesänge, opus 121’ brachten Aimard en Goerne voor de pauze een erg gewichtige lezing, met ‘O Tod, o Tod, wie bitter bist du’ als intiem hoogtepunt. ‘Der Tod, das ist die kühle Nacht’, een extract uit de ‘4 Lieder, opus 96’ bleek verderop opnieuw een zeldzaam ijzingwekkend moment. Het had er bovendien alle schijn van dat Goernes wat wollige bariton het meest geschikt is voor het repertoire van Brahms. Niet toevallig greep de solist voor het slot naar het ‘Lerchengesang’, waarmee het recital opnieuw met een melancholische nooit eindigde. Ook Aimard voelde zich schijnbaar goed in Brahms: de pianist liet zijn klavier schimmig en met overweging doorheen de landschappen glijden, op een verfijnde maar altijd mystiek blijvende manier. Op andere momenten liet Aimard dan weer een zeer gespannen indruk na, met in de lichtere stukken niet de beweeglijkheid van voltijds begeleiders als Roger Vignoles of Graham Johnson.

Goerne en Aimard weekten veel los bij het publiek, maar het tweede deel was puur programmatisch te weinig geconcentreerd om van een echt beklijvende passage te spreken. Goerne slaagde er daarenboven niet in om grote karakterwissels in de muziek helemaal uit te spelen. Een goed concert, hoewel de kippenvelmomenten vaker uitbleven dan verwacht.

Details Concerten
Niemand krijgt kippenvel op commando
Concert datum:
26/10/2012
Jaar:
2012