Mahler Chamber Orchestra, Vladimir Jurowski, Sophie Karthäuser & Gerald Finley, KlaraFestival 2014

Welk hemels leven?

Wedden dat president Obama binnen een dag of drie opstaat met slijmerige neusloop en een zere keel? En wedden dat hij de verantwoordelijke ziektekiemen deze namiddag zal hebben opgesnoven in BOZAR, waar hij speechte voor ongeveer tweeduizend genodigden? Er hangen daar sedert gisterenavond immers ziektekiemen in de lucht, veelvuldig verspreid door iemand met een vervelende prikkelhoest. Niemands schuld, voor iedereen onaangenaam – waar is de tijd dat er nog keelpastilles aan de ingang werden uitgedeeld?

Het in 2009 geschreven ‘Cvectic, kucica... la lugubra gondola’ opende het concert. De titel is tegelijk een verwijzing naar Franz Liszt als naar een tekening (‘Bloempje, huisje’) die op de bodem van de Donau in een koelwagen werd gevonden, naast het lijk van een vijf jaar oud oorlogsslachtoffer. De wrangheid van het conflict tussen Servië en Kosovo staat in de partituur tegenover de bevroren onschuld van een kinderdroom. Componist Marko Nikodijevic goot die tweeledigheid in een ongemakkelijke, delicate partituur. Het gevoel dat men onder water alledaagse geluiden hoort, die vervormd en mysterieus tot onder het oppervlak doordringen, komt in het stuk naar boven, net als de voortdurende deining waaraan een gondel onderhevig is. Niet geruststellend, maar voortdurend in een staat van dreiging: Nikodijevic gunt zijn luisteraars geen seconde rust, hoewel de tekening in al zijn eenvoud aan de einder weergalmt, in de vorm van eenvoudige noten die de instrumentalisten onderling uitwisselen. De uitvoering van het Mahler Chamber Orchestra had echter niet alleen te lijden onder een prikkelhoest, maar ook onder onvolmaaktheden. Ongelijke inzetten maakten van het (waarschijnlijk) doorschijnende water een troebele stroming, waarin de luisteraar nog zijn weg moest zien te vinden.

Vervolgens was het programma integraal gewijd aan Gustav Mahler, te beginnen bij een selectie Wunderhorn-liederen. Bariton Gerald Finley zong er vijf, Sophie Karthäuser besloot met een engelachtige vertolking van ‘Das himmlische Leben’, dat als slotdeel van de vierde symfonie na de pauze nog een keer gearrangeerd terugkwam. Finley heeft het volume en het inzicht voor de vijf liederen die hij koos. Ridderlijk onthield hij zich van overdrijvingen in ‘Lob des hohen Verstandes’, integer was hij het meest in ‘Wo die schönen Trompeten blasen’. Zijn eerder edele dan onbeteugelde uitvoering kreeg overigens navolging in het orkest. Dirigent Vladimir Jurowski kon de gekartelde randen van Mahlers priemende schriftuur niet altijd tot hun recht laten komen. Bleef zijn directie te vrijblijvend?

Mahlers vierde symfonie, het geanticipeerde hoogtepunt van het concert, had met stuk voor stuk uitmuntende solisten alle ingrediënten voor een fantastische uitvoering. Hoorn, trompet, klarinet, hobo, slagwerk: allen excelleerden, zonder discussie. Toch kristalliseerde tussen al die perfectie de geest van Mahler niet uit. Jurowski koos voor naïviteit in het eerste deel, maar deed verderop weinig met de scherzando-karakters. Idealiter laat een dirigent in het derde deel de tijd terugkeren op haar schreden; Jurowski leek zich echter goed bewust van de secondewijzer. Karthäuser heeft tenslotte niet de gezwollenheid van de doorsnee hoog-romantische sopraan. In plaats van alles te gaan overheersen, baande haar stem zich voorzichtig een weg doorheen de georkestreerde hemelbestijging. Steeds hoger en hoger, steeds even fragiel; geen hemels concert, wel een prachtig culminatiepunt.