Mahler Chamber Orchestra, Rafael Payare & Magdalena Kožená, BOZAR Brussel

Payare en zijn nodeloze proeve van potentie

Wat is een thuis? Onder de noemer 'Home sweet home' stelt het Klarafestival deze editie de vraag naar wat het betekent om op de vlucht te zijn, en naar de verhouding tussen een afgelijnde identiteit of nationaliteit en de buitenwereld. Geheel in de geest van het artistieke parcours, dat kunst presenteert als een gegeven waarin het ‘ik’ en het ‘ander’ een vruchtbare dialoog aangaan, kon een zogezegd Tsjechische avond zich uiteraard niet beperken tot louter Tsjechische muziek.

Met Luciano Berio's 'Folk songs' werd een liedcyclus geprogrammeerd in verschillende talen. Idee van de componist? Om particuliere folklore in een verbindende eenheid samen te brengen, als metafoor voor kunst als universele taal. Eclecticisme is Berio’s middel om tegelijk de authenticiteit en het overstijgende aanvoelen van emotie te laten versmelten. Concreet gebruikt de componist humor als bindmiddel en een kleurrijke instrumentatie als continu ontroerend element, waar de gezongen partij een essentiële factor menselijkheid aan toevoegt. Zodoende creëert Berio een thuis dat elk etnisch of nationalistisch hokjesdenken overstijgt. Zijn eigengereide idioom komt niemand tegemoet en toch spreekt het tot iedereen.

Mezzosopraan Magdalena Kožená bracht dit tijdens haar uitvoering allemaal schitterend aan het licht. De Tsjechische verloor zich niet in volmaakte techniciteit of in een gepolijst geluid, maar liet integendeel de kwetsbaarheid van haar persoon toe. Internationaal spreekt haar stem net tot de verbeelding door haar unieke timbre en haar directe emotionaliteit, en dat waren twee troeven die ze in de loop van de cyclus uitspeelde. Zonder performant orkest echter geen geslaagde uitvoering. Rafael Payare, kameraad van Gustavo Dudamel en eveneens grootgebracht in het Venezolaanse El Sistema, liet als dirigent kansen liggen.

In plaats van de orkestpartij te emanciperen en als tegenhanger voor de soliste te profileren, bleef Payare onder de mezzo gedijen. Weliswaar met vakmanschap, doch zonder echte bezieling coördineerde hij de lezing. Waar waren echter de keuzes? Waar de karakters die noodzakelijk zijn om de ironie, scherts en vindingrijkheid van Berio’s schriftuur te openbaren? Payare had geen antwoord klaar, waardoor ook het Mahler Chamber Orchestra in een wat kunstmatige dimensie bleef hangen. Alles was er en toch bleef de interpretatie dode letter.

Voor zover ‘De Moldau’ uit Smetana’s ‘Má Vlast’ het nog niet manifest had gemaakt, bleek ook door Dvořáks zevende symfonie heen waar Payare’s accent als musicus ligt. Zijn wens om het grote repertoire bloedstollend en elektriserend te presenteren, loopt naar verluidt als een rode draad door zijn nog prille carrière. Dat hij het op een paar jaar tijd tot samenwerkingen met de Wiener Philharmoniker, het London Symphony Orchestra en de Chicago Symphony Orchestra heeft geschopt, is opzienbarend. Zijn passage in BOZAR ontketende echter geen extase.

Een nagenoeg concertante benadering van de verschillende orkestgroepen, een uitvergroting van de muzikale dramaturgie, een beredeneerd discours waarin de parameter volume herhaaldelijk werd misbruikt: de dirigent ontsloot de partituur van Dvořáks integere opus 70 als een thriller, terwijl het stuk geen ambitie heeft in die richting. En dat ten koste van de poëzie! Hoewel excellent gemusiceerd door het Mahler Chamber Orchestra, trok Payare de kaart van te ostentatief en opdringerig interpreteren. Wanneer een uitvoerder groter probeert te zijn dan het werk op de pupiter, is ware artisticiteit ver heen.