Leif Ove Andsnes, Mahler Chamber Orchestra & Koor van Opera Vlaanderen, BOZAR Brussel

Keizer van het klavier

Maar liefst vier seizoenen op rij Leif Ove Andsnes in BOZAR aan het werk kunnen horen: noem het gerust een voorbeeld van melomane verwennerij. De laatste drie jaar stond de meesterpianist in onze hoofdstad overigens niet solo geprogrammeerd, maar in het beminde gezelschap van het Mahler Chamber Orchestra. Hun gezamenlijke concertreis, onder de noemer ‘The Beethoven journey’, is ondertussen aan zijn derde en laatste jaargang toe. Elk van Beethovens concerti hebben orkest en solist in Brussel uitgevoerd, en ja, daar hoort wat extra luister bij. Een ideale gelegenheid dus om Beethovens minder uitgevoerde fantasie voor piano, koor en orkest (opus 80) boven te halen. Achteraf beschouwd een uitstekende keuze, want meer grandioos had de bekroning van de hele concertcyclus amper kunnen zijn.

Karakterieel past de koraalfantasie perfect binnen het idee van voltooiing dat in zekere zin aan dit concert kleefde. Beethoven schreef het immers als apotheose bij een benefietconcert dat hijzelf ter zijner ere had georganiseerd. De vijfde en de zesde symfonie gingen er in première, evenals het vierde pianoconcerto en een stuk uit de mis in C. Na ongeveer vier uren muziek volgde toen nog de fantasie, een relatief kort werk dat de loftrompet stak over de schoonheid en de grootsheid van de kunsten. Andsnes, eens te meer zowel uitvoerder als dirigent, overschouwde de partituur echter niet als een eenduidig toewerken naar het geëxalteerde slotkoor. Onverzettelijke majesteitelijkheid werd door zijn vingers gekneed, maar ook dartelheid schemerde in zijn alweer gulle, evenwichtige lezing door. Pompeus werd het stuk pas aan het slot – daarvoor flikflooiden orkest en dirigent in afwisselend humoristische en ernstige bewegingen.

Het koor hoeft zich nog geen tien minuten uit te sloven, maar meer tijd hadden de koorleden van Opera Vlaanderen niet nodig om de uitvoering in vol ornaat richting climax te duwen. Tegenover zoveel volume had een rijker bezette strijkerssectie bij het Mahler Chamber Orchestra niet misstaan, maar de balans sloeg niet door. Die relatief dunne bezetting is trouwens een bewuste keuze van het orkest, dat in Beethovens vijfde concerto alles inzette op transparantie. Dat bleek een troef, gezien Andsnes koos voor een kristalheldere, straight-forward lezing zonder ook maar de minste artificiële wending. Nooit melodramatisch en zich voortdurend bewust van de pols van de muziek, werd het een scherp keizersconcerto, in de vorm van een langgerekte piek. In de karakters van het eerste deel bijna grotesk, aan het slot aanhoudend energetisch: aandrang en spanning genoeg, poëzie misschien een fractie te weinig? Geen ultiem opus 73 dus, wel een uiterst onderhoudend en technisch erg bekwaam uitgevoerd concerto.

Zoals ook de vorige jaargangen het geval was, werd het concert geopend met werk van Stravinsky. In de geest van de interpretatie van Beethovens beroemdste partituur voor piano en orkest lag de uitvoering van Stravinsky’s concerto voor strijkers in D, waarin meer dan de warmte de ironie werd beklemtoond – net als in 2012 overigens. Het Mahler Chamber Orchestra – een orkest waarvan de reputatie niet gebouwd is op enkele sterkhouders per sectie, maar wel op de individuele kwaliteiten van alle musici – is een ideaal ensemble voor een tegendraads en wispelturig stuk zoals dit. Het kluwen van stemmen die botsen en elkaar een fractie later alweer hartgrondig te omhelzen: alleen musici die zich aan hun partijen overgeven, kunnen het lijnenspel dat dit concerto uitmaakt zo lucide tot klinken brengen. Gewoonweg heerlijk!