Koninklijk Concertgebouworkest, Michal Nesterowicz & Lisa Batiashvili, Koningin Elisabethzaal Antwerpen

Onbekend is onbemind: de perfectie van een onbevangen Pool

Tegenwoordig is het Klarafestival al wat de klok slaat. Of niet? Dat het Koninklijk Concertgebouworkest gisteren in een volgelopen Elisabethzaal haar opwachting mocht maken, had de melomaan aan Cofena te danken. Die Antwerpse vzw profileert zich al zeven decennia lang met een uitgelezen symfonisch seizoen, dat buiten de provincie nog altijd niet de welverdiende bekendheid geniet. De organisatoren liggen er evenwel niet wakker van, want met kleppers als Valery Gergiev en Christoph Eschenbach staat nu al in de sterren geschreven dat de verkoop de komende maanden eens te meer vlot zal lopen.

Bedoeling was om het Concertgebouworkest naar Antwerpen te laten afzakken in gezelschap van Vladimir Jurowski, chef-dirigent van het London Philharmonic Orchestra en vanaf 2018 van het Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin. Door ziekte moest Jurowski echter verstek geven. Dat Michal Nesterowicz als vervanger werd aangeduid, leek niet bepaald hoopgevend. Als aanvoerder van het Tenerife Symphony Orchestra staat de Pool bijlange niet zo hoog aangeschreven als zijn collega. De artistieke leiding in Amsterdam kijkt echter verder dan een miezerige discografie en een bescheiden palmares. In Bruckners eerste symfonie liet Nesterowicz immers horen dat hij een orkest dat tot de wereldtop behoort met visie en autoriteit kan leiden.

Alvorens te landen bij Bruckner, werd de aftrap gegeven met het eerste vioolconcerto van Shostakovich. Geschreven na de Tweede Wereldoorlog, onder de radar van Stalins censuur, beleefde de partituur pas haar première in 1955. De bijtende ironie, het gewortelde verdriet, het eenzame torment: het opus 77 ligt in de lijn van ander werk dat Shostakovich in die periode schreef. Dat violiste Lisa Batiashvili compleet wist door te dringen tot de gevoelswereld van de componist, kwam niet als een verrassing. Haar fenomenale opname van dit concerto met Esa-Pekka Salonen betekende ruim vijf jaar geleden haar definitieve doorbraak. Sindsdien is de Georgische een van de vaste waarden bij Deutsche Grammophon, en tevens een graag geziene gaste op de podia wereldwijd.

Zeldzaam is Batiashvili’s koppeling van een feilloze techniek, een briljante toon en een groot intellect. Ideaal voor Shostakovich’ opus 77, dat een omzwerving is van register naar register, waarbij verschrikking en vreugde ongewoon dicht bij elkaar liggen. De soliste zocht niet de extremen op, maar probeerde de uitersten van het spectrum in een homogene stijl te verbinden. Haar zin voor lyriek, haar integere benadering van Shostakovich’ emotionele universum en vooral haar principiële geloof in esthetiek als fundament voor ontroering, leidden tot een adembenemende uitvoering. Het Koninklijk Concertgebouworkest omlijstte de vertolking met excellente partijen, zij het dat Nesterowicz bepaalde karakters op scherp had mogen stellen. De priemende interventies van de houten en de kranige bemoeienissen van de koperblazers misten net dat tikkeltje noodzaak. Afgezien daarvan werd het echter een superieure lezing.

Waar Nesterowicz in Shostakovich vooral het contact tussen soliste en orkest wilde waarborgen, ontspon hij in Bruckners eerste een persoonlijk narratief. Van minzaam tot ongebreideld energiek liet de Pool de musici zodanig fraseren, anticiperen en onderling interageren, dat de luisterervaring niet te herleiden viel tot een handvol effecten. Hoewel he niet Bruckners beste is, maakte de dirigent er een bijzonder meeslepende ervaring van. Hoog tijd dus dat Nesterowicz als chef de oversteek maakt naar een Europees orkest van betekenis.