Johann Sebastian Bach, ‘Sonatas for violin & harpsichord’

Oude garde ruimt plaats

De belichaming van Het Grote Gevoel zal Isabelle Faust waarschijnlijk nooit worden. Nu ze haar vijftigste verjaardag ziet naderen, is het immers nogal laat voor een stilistische make-over. Weinigen zitten daar evenwel op te wachten, want met het strak geconcipieerde muzikale plan waarmee de Duitse violiste steevast de bühne betreedt – een esthetische doctrine die voor Gründlichkeit mag doorgaan – pakt ze zowel pers als publiek in.

Vandaag is Faust allicht de meest vooraanstaande violiste onder contract bij Harmonia Mundi, hetgeen haar de mogelijkheid geeft om met collega’s als Alexander Melnikov, Jean-Guihen Queyras en Kristian Bezuidenhout in zee te gaan. Met die laatste dook Faust uiteindelijk de studio in voor een opname van Bachs sonates voor viool en klavecimbel. Het resultaat is niets minder dan sprankelend, althans voor wie er in slaagt door de gelaagdheid van de partituur heen te luisteren.

Onder het brede publiek genieten Bachs sonates BWV 1014 tot en met 1019 niet veel bekendheid. Dat heeft vooral te maken met de schijnbare gelijkmatigheid van de schriftuur. Een oppervlakkige beluistering laat namelijk niet vermoeden dat deze werken een continue deining van harmonie en melodie representeren. Zoals Bachs contrapunt elders in zijn oeuvre netjes verpakt zit om het oor gracieus om de tuin te leiden, zo wordt de complexiteit van het retorische spel binnen deze sonates eveneens gemaskeerd.

In feite lijkt het alsof viool en klavecimbel zich ongenaakbaar tot elkaar verhouden, maar niets is minder waar: de beide stemmen van het klavier worden vanuit de puls van de viool gedacht, en de lyriek van de viool ontstaat op zijn beurt uit het warme kader van de toetsen. Anders gezegd verweven beide stemmen zich niet in een helder hiërarchisch geconcipieerd onderling verband. Integendeel zijn ze van meet af aan onafscheidelijk, en worden ze als het ware uit elkaar geboren.

Precies om deze reden is het elementair dat de spreekwoordelijke dans niet door de ene of de andere muzikale partner wordt geleid. Wie luistert naar pakweg Gustav Leonhardt en Sigiswald Kuijken, die ruim vier decennia geleden een referentieopname inblikten, hoort dat het klavecimbel de krijtlijnen uitzet voor de strijker. Dat maakt de opname eenvoudiger behapbaar, maar het doet tevens afbreuk aan de democratische teneur van waaruit Bach deze stukken geconcipieerd heeft. Met Faust en Bezuidenhout zit het qua gelijkmoedigheid evenwel perfect. De nieuwe generatie heeft met deze opname kortom een eigen referentie.