Ivan Bessonov, Valery Gergiev & Mariinsky Orchestra, Elisabethzaal Antwerpen

Pracht, praal en patsergedrag

Zal woensdag 17 januari 2018 de Antwerpse geschiedenis ingaan als de datum waarop het doek viel over het kartel Samen? Misschien. Nochtans is de volgende onthulling waardoor er politieke koppen moeten rollen nu al in de maak. Diezelfde zeventiende januari zal evenwel met pertinente zekerheid in het geheugen gegrift blijven als de dag waarop de kracht van de samenhorigheid werd gevierd. Voor de goede verstaander: niet in beleidsmatige termen, wel in muzikale. Met het Mariinsky Orkest was immers een toonbeeld van artistieke eensgezindheid te gast in de Elisabethzaal.

Het Mariinsky geldt niet alleen als een van de meest gedisciplineerde orkesten ter wereld, het technisch meesterschap en de perfecte balans die de afzonderlijke pupiters onderling weten te bewaren, worden wel eens ‘ongeëvenaard’ genoemd. Dat dit superlatief geenszins overdreven zou blijken, zegt veel over de kwaliteit van de avond. Hoewel een integraal aan Tchaikovsky gewijd programma in eerste instantie wat vraagtekens opriep, te meer omdat het eerste pianoconcerto en de vierde symfonie zich allebei in de diepten van de epische grandeur situeren, bleek de agenda perfect uitgekiend.

De royale selectie uit ‘De notenkraker’ was bijvoorbeeld meer dan een amuse-gueule. Gergiev haalde onwaarschijnlijk veel details uit de partituur naar boven. De eenvoudige humor en het ongecompliceerd feeërieke karakter van een aantal delen lijken intuïtief niet goed samen te gaan met Gergievs gewichtige en macabere natuur, maar het feit dat hij de partituur zelf in het centrum van de uitvoering plaatste, resulteerde in een ware revelatie. Het Mariinsky Orkest toonde zich als een geoliede machine, die met bezieling dit ooit als bagatel afgedane ballet tot de zuiverste schoonheid verhief.

Internationaal is goed geweten dat Gergiev zijn protegés een podium wil geven. Zo reist de amper 15 jaar jonge Ivan Bessonov momenteel met de dirigent mee. Dat in de tiener een groot virtuoos schuilt, zal niemand miskennen. Doorheen het concerto pakte de solist immers uit met technische waaghalzerij. Het contact met het orkest verliep evenwel stroef, te meer omdat Gergiev relatief weinig karakter in de begeleidende partijen stak.

Waar ‘De notenkraker’ bij momenten richting morbide sferen werd geloodst, liet de dirigent de pathetiek in het concerto liggen, waardoor de solist niet werd uitgenodigd tot participatie. Onregelmatige tempi, ongelijke inzetten en weinig visie maakten van het concerto een oppervlakkige demonstratie. Het bisnummer, waarin Bessonov zich in puberaal patsergedrag verloor, was exemplarisch voor het probleem van de solist, namelijk dat de animo elke diepzinnigheid overschaduwde.

Doorheen de vierde symfonie ging Gergiev echter tot de kern. Enkele maanden geleden omzeilde dirigent Iván Fischer in deSingel de monumentale melancholie van dit opus 36. Net daar dompelde Gergiev zijn eigen troepen in onder, met vier bloedstollende delen tot gevolg. Lijden en troost zo dicht bij elkaar brengen: het kan alleen via de smeltkroes van de zuiverste schoonheid.

Met Stravinsky’s ‘De vuurvogel’ voegde Gergiev als bisnummer bovendien nog een element van rauwe mystiek aan de avond toe – een aspect dat binnen het oeuvre van Tchaikovsky minder vertegenwoordigd is. Het werd een interpretatie zo puur en zo geraffineerd, dat ze zich aan de tijd leek te onttrekken. Niettemin bleek het concert achteraf om en bij de drie uur geduurd te hebben. Ook dat is Gergiev: compromisloos – te nemen of te laten.