Isabelle Faust & Mahler Chamber Orchestra, deSingel Antwerpen

Meer brein dan brille

Betekent het feit dat Johann Sebastian Bach dit jaar in Klara’s top 100 figuren als Andrew lloyd Webber en Carl Orff voorrang moet geven dat de componist uit de mode is? Natuurlijk niet. Bach is en blijft een constante. Vraag maar aan Isabelle Faust. Alsof het de normaalste zaak van de wereld was, nam ze in deSingel repertoire van de grootmeester op in een rond Mendelssohn en Schumann geconstrueerd programma.

Op die manier verwees Faust naar de affiniteit die beide componisten hadden met hun voorganger. Tevens voerde de violiste haar publiek via twee hoofdstukken uit ‘Die Kunst der Fuge’ terug naar de kiemen van de muziekschriftuur – contrapunt als bakermat, meerstemmig vlechtwerk als bouwsteen voor de toekomst.

Faust ging overigens nog een stap verder. Behalve stijlperiodes met elkaar in aanraking brengen, verweefde ze kamermuziek met symfonisch repertoire. In de 19e eeuw was dat een courant gegeven, tegenwoordig echter een curiosum. Nochtans vaart de concertervaring wel bij een dimensieverbreding voor wat bezetting, vorm en periode betreft. Contrasten nopen tot verwondering en moedigen aan om de vraag te stellen naar eventuele onderliggende verbanden.

Of een dergelijke mix moet baden in een sfeer van ernst, is een andere vraag. Faust wilde naadloos de eerste contrapunctus uit ‘Die Kunst der Fuge’ aan Schumanns Fantasie voor viool en orkest kleven. Leden van het Mahler Chamber Orchestra vertolkten, Faust stond met gesloten ogen in het centrum van de aandacht. Ze incarneerde het cliché van het mystieke dat rond Bachs muziek hangt.

Waarom het ritueel van de concertervaring krampachtig bewaren? Waarom de muziek niet gewoon zijn wonderlijke zelf laten zijn? Misschien is Faust als muzikante én als mens eerder ernstig. In haar vertolking van Schumanns Fantasie demonstreerde ze alleszins ambachtelijke klasse, of anders gezegd: technisch raffinement zonder de brilliantie waarmee een interpreet dit virtuoze huzarenstuk boven zichzelf uit kan tillen. Torment heeft hier alleszins minder een plaats dan het 19e eeuwse ideaal van de heroïsch-eenzame solist.

Hetzelfde geldt eigenlijk voor Mendelssohns vioolconcerto, een werk dat Faust eveneens vanuit een quasi existentiële basisgesteldheid benaderde. Nochtans blaakt de orkestpartij van speelse vondsten. Het Mahler Chamber Orchestra liet die fantastisch klinken, maar Faust gaf geen duimbreed toe. Haar serieux liet zich niet vermurwen, waardoor het orkest minder geïnspireerd ging communiceren.

Op den duur misten bepaalde partijen karakter. Mogelijks heeft Faust zich trouwens niet als dirigente geprofileerd, met als gevolg dat er geen duidelijke keuzes werden gemaakt voor wat betreft het symfonische kader. Alles was aanwezig, maar de leidende hand die van de exacte partituur een meeslepend narratief had moeten maken, ontbrak.

Het hoogtepunt van de avond viel vroeg. Beter dan de fonkelende ouverture (Mendelssohns ‘Die Hebriden’) werd het immers niet. Schumanns eerste strijkkwartet kreeg weliswaar nog een pittige uitvoering, maar de leden van het Mahler Chamber Orchestra slaagden er niet in zich uit te geven voor geroutineerde kamermuziekvertolkers.

Eigenlijk was de altviool exemplarisch voor het vitale manco van deze lezing: ze harkte af en toe stram en afstandelijk, daar waar Fausts tomeloze engagement tot voorbeeld had moeten dienen. Als geheel werd ook dit een acceptabele uitvoering, zij het met meer brein dan brille. Vooral verstandig, minder vermetel: het is in muziek niet altijd de goede volgorde.