Heidi Melton, Valery Gergiev & Wiener Philharmoniker – dag 2, Carnegie Hall

Van overal en nergens

Muziek is een tijdskunst. Zonder opeenvolging van momenten geen melodieën, zonder terugkerend materiaal geen eenheid. Nu is het zomaar even de tijd zelf die componiste Olga Neuwirth in haar voor de Wiener Philharmoniker geschreven 'Masaot / Clocks without hands' aan een onderzoek onderwerpt, vanuit een droom waarin ze zich de onkenbaarheid van de herinneringen van haar vroeg gestorven grootvader realiseerde. Dat conceptuele moeras is het ideële ijkpunt voor de partituur, die op eigen houtje een muzikaal geheugen tracht te construeren.

Meer concreet was het startpunt de streek waar Neuwirths grootvader had geleefd, met name aan de oevers van de Donau, en de diverse nationale strekkingen die het daar voor het zeggen hebben gehad. De frequente stoelendans aan de top heeft doorheen de geschiedenis geleid tot een folkloristische smeltkroes, waar ook Mahler door gebeten was. Mahler die, op zijn beurt, het artistieke referentiekader werd voor deze compositie.

Het eclecticisme van Mahlers eerste symfonie was oorspronkelijk een kapstok voor negatieve kritiek. Vandaag ervaren we datzelfde stuk als een fabelachtige spiegel voor het klimaat van het fin de siècle. Ook in Neuwirths creatie is eclecticisme meer regel dan uitzondering. Lichte muziek, Balkan tot zelfs Iers geïnspireerde improvisaties manifesteren zich in subgroepen van het orkest. Onderwijl blijft het symfonische geraamte evenwel bewegen. Voor of achteruit, dat weet niemand. Doorheen de tijd, dat staat vast. Met als bestemming: vandaag. Ook dat is een zekerheid.

Het eclecticisme als stijl is weliswaar 20e-eeuws, maar ook aan dat genre gaat de componiste voorbij door ertegen te zondigen. De filosofie van haar werk laat ze namelijk klinken in passages waar metronomen achtereenvolgens nieuwe metra aangeven, tot er geen vaste grond meer overblijft. Dit is hoe tijd ophoudt te bestaan in klank. Een metafoor voor het geheugen, dat behalve heden geen verleden of toekomst kent? Het territorium van het eclecticisme is trouwens New York, de stad die architecturaal is gegroeid als een wedloop onder bouwmeesters. Deze hutspot van Europees muzikaal erfgoed net hier uitgevoerd horen, maakt de ervaring simpelweg compleet.

Moessorgski's prelude tot ‘Chovansjtsjina’ werd nochtans het sleutelmoment van de avond. Ongeacht het verdere verloop van het libretto hangt over dit voorspel een onwerelds aureool. Gergiev hield dat ook intact, met een minutieus uitgedachte directie die zwoer bij transparantie. Harpiste Anneleen Lenaerts nam bijvoorbeeld een prachtige rol waar, hoewel het onbegonnen werk is alle individuele talent te gaan opsommen.

Transparantie droeg de dirigent trouwens ook doorheen de orkestrale reductie van Wagners 'Götterdämmerung' hoog in het vaandel, hoewel de Wiener hier minder geroutineerd leek dan voorheen. Niettemin capteerde het uitstekend dat kantelpunt waarop Brünnhilde zich bevindt (en de wereld met haar). Een archaïsche wereldorde heeft zichzelf ten gronde gericht, een nieuwe staat voor de deur. De ongerepte schoonheid van deze goddeloze natuurwereld, bleek een helder schijnsel voor de oren. Wel schurkte sopraan Heidi Melton tegen haar grenzen aan, waardoor haar vertolking er één werd met slechts een handvol facetten.

Toch zocht en vond haar timbre het orkestapparaat heel vanzelfsprekend, terwijl Gergiev naast de symfonische dramaturgie ook de balans redigeerde. Zo werd de tweede avond van de drie dagen durende residentie van de Oostenrijkers een nog grotere triomf dan de eerste. Benieuwd of er voor dag drie nog woorden overblijven…