Gustav Mahler, ‘Symphony no. 5’

Tweeledigheid als twee-eenheid

Hoe zou het komen dat Iván Fischer het oeuvre van Gustav Mahler zo donders goed aanvoelt? Licht de Hongaarse dirigent een tipje van de sluier wanneer hij in de liner notes bij deze opname van de vijfde symfonie aangeeft dat zijn eigen grootouders in een dorp woonden waar Mahler zelf geleefd had kunnen hebben? Het parfum van zijn eigen jeugd had waarschijnlijk de geur van het Habsburgse rijk waarin de componist leefde. En een allegaartje van klezmer, Joodse folklore en klassieke muziek echoën allicht nog steeds door de kamers van zijn eigen jeugd. Op persoonlijk vlak is Mahlers humor Fischer overigens niet vreemd, evenmin als de overtuiging dat muzikale esthetiek kan doen transcenderen. De combinatie van bakken talent en bovenstaande factoren leiden ertoe dat Fischers Mahler telkens weer een belevenis is, te meer omdat de dirigent het door hem opgerichte Budapest Festival Orchestra onder de arm neemt wanneer hij zich op dat eigenzinnige muzikale universum stort.

Mahlers schriftuur zoekt dikwijls het spanningsveld op tussen kamermuzikale intimiteit en orkestrale grandeur. Het delicate weefsel dat ontstaat wanneer de componist het orkest in kleinere geledingen benadert, ontleedt Fischer ragfijn. Toch is zijn precisie nooit academisch van aard. Zo priemen spitsvondigheid en ironie continu door het muzikale oppervlak. De tweeledigheid tussen de klankwereld en de ervaringswereld die daar onder verscholen zit, openbaart zich bij deze dirigent als een vanzelfsprekende twee-eenheid. Het voortdurend op en neer deinen van het emotionele register maakt Fischer bovendien evident. Dat geestigheden uitmonden in momenten van tragische vertwijfeling of dat existentiële huivering even later in scherts vervalt: deze dirigent maakt dat parcours aannemelijk, ja zelfs logisch. De talloze identiteiten die Mahlers symfonieën omspannen, komen bij Fischer op een evenwichtige en tegelijk exalterende wijze samen.

Het eerste deel vormt daar meteen een mooi voorbeeld van. De opening is gewichtig en ernstig, maar in de treurmars stapt Fischer mee met een heimelijke glimlach op de lippen. In de tweede beweging kiest de dirigent niet voor overdaad, maar voor min of meer gecontroleerde turbulentie. Daar staat dan weer een impulsief scherzo tegenover: excellent, baldadig en detaillistisch tegelijk. In het adagietto streeft Fischer niet zozeer naar mystiek, wel naar pure emotie. Een intuïtieve, veelzijdige finale maakt deze opname tenslotte af. Fischer mag zich met dit vijfde deel van zijn symfonische cyclus kortom nog steeds tot de notabelen onder de Mahler-uitvoerders rekenen!