GoGo Penguin, 'Koyaanisqatsi', Flagey

In and out of balance

Vijfentwintig jaar geleden verscheen Godfrey Reggio's cultfilm 'Koyaanisqatsi'. Het idee dat we zonder het te beseffen in technologie leven, vertaalt Reggio naar het doek door de achtergrond van de cinematografie naar voren halen. Zo zien we enkel figuranten en omgevingen, en horen we gedurende de hele film bovenal de muziek als één lange, aanwezige soundtrack. De originele muziek van Philip Glass is haast even bekend als de beelden en kan nauwelijks los worden gedacht van de film. Het minimalistische meesterwerk paste namelijk perfect bij de trage luchtbeelden en snelle time-lapses.

GoGo Penguin maakt het zichzelf dan ook niet makkelijk wanneer ze hier een andere soundtrack bij spelen, of beter gezegd: de film een andere invulling geven. Filmmuziek kan de inhoud en betekenis van haar film immers sterk bepalen – denk maar aan de vele soundtracks bij Vertovs 'De man met de camera', zoals die van The Cinematic Orchestra. In combinatie met Glass' mantra durft ondergetekende trouwens wel eens een traantje weg te pinken bij de legendarische raketscène. De vergelijking is moeilijk weg te denken, dus hoe zullen de Britse nu-jazzers deze film invullen?

Met een tik op zijn cimbaal geeft de drummer het startsein voor de vertoning. Ook verder in dit audiovisuele kunstwerk van anderhalf uur zien en horen we de absolute synchroniciteit van de muzikanten, zowel met de film als met elkaar. De piano tijdens de eerste scène wordt geleidelijk aan ondersteund door snijdende snaren en cimbalen, maar na verloop van tijd voelt dit samenspel als aanmodderen. Het doet ons eerder denken aan onheilspellende films uit de jaren 20 en, ook al is het een interpretatie, de muziek past op dit moment niet helemaal bij de sfeer van de beelden.

Even klinkt de muziek van GoGo Penguin ongeïnspireerd, zeker voor wie weet dat ze zich voorlopig aan de indeling van Glass houden. Maar plots wordt de band dynamisch: in de wolkenscène escaleert de muziek bij de waterval en vindt ze rust bij de oceaan. We zien atoombommen en parachutesprongen, we horen bruuske bassen. We zien de Bronx in de jaren 70, we horen strakke hiphopdrums. Zelfs wat de montage betreft, gaan ze toch nog anders te werk dan Glass, zoals wanneer ze de bom verbinden met een overvol strand: ze interpreteren de film als rasechte componisten en zetten de beelden naar hun hand.

Wordt de muziek iets te cool voor die beelden, dan stellen we ons voor dat dat slechts als contrast dient voor wat nog komt. Tijdens portretshots vertraagt de piano en voelt de beleving erg persoonlijk aan. Blacka wisselt zijn contrabas dan weer met een elektrische bas voor hevig solo-achtig werk en met een subtiel variërende piano zorgen ze zowel voor een contrast met als een ode aan hun voorganger. We durven zelfs te zeggen dat ze het beter aanpakken dan Glass wanneer de industriële sequenties door menselijke beelden worden onderbroken en de band ook de muziek onderbreekt, om de heftigheid weer te hervatten bij kilometers verkeer.

En dan de allesbepalende raketscène. Illingworth trakteert ons opnieuw op een pianorecital, nu bijzonder mooi gecomponeerd, maar gevoelsmatig niet perfect uitgevoerd. Wat in de muisstille zaal een ontroerend sluitstuk had kunnen zijn, blijft jammer genoeg slechts een poging tot fragiliteit, waarmee het concert niet memorabel genoeg eindigt. Jawel, de subtiele componisten van GoGo Penguin lieten ons genieten van een knap staaltje jazz. Maar hoewel dat muzikaal inderdaad bijzonder sterk was, namen ze met deze film risico's. Aldus geschiedde: onderweg naar huis klonk Glass alweer in ons hoofd.