Gewandhausorchester Leipzig & Andris Nelsons, BOZAR Brussel

Het baton of de loep?

Wie herinnert ze zich niet, de iconische beelden van Leonard Bernstein die de Wiener Philharmoniker quasi roerloos tot een geweldige interpretatie van een Haydn-symfonie brengt? Het hele wezen van de muziek: gevangen in een ondeugende blik, een twinkelend paar ogen dat de muziek compleet doorziet. Heeft Andris Nelsons, pas aangesteld als chef van het Gewandhausorchester Leipzig, Mozarts veertigste symfonie soortgelijk opgevat? Niet dat hij zich bij zijn passage in BOZAR fysiek niet verroerde, maar zijn afgemeten directie reflecteerde alleszins een verlangen naar eenvoud via transparantie.

Mozarts veertigste en Tchaikovsky’s zesde symfonie: allebei kwamen ze tot stand in de laatste levensfase van hun respectievelijke scheppers. Los van de tragische biografische context van hun respectievelijke levens weet de bladmuziek in beide gevallen tristesse te verbinden aan schoonheid.

Soberheid bleek het sleutelwoord tot Nelsons visie op Mozart. Helemaal anders dan voorvechters van de historische uitvoeringspraktijk bleef de Let ver van vinnige interventies, opmerkelijke tempi en contrastrijke volumes vandaan. Niettemin zette hij in op de symfonische dramaturgie door het clair-obscur maximaal te benutten, de houtblazers als centrale entiteit te behandelen en de strijkers ostentatief te laten fraseren. Toch werd het een uitvoering waarin de partituur zelf centraal stond, meer dan haar affecten.

Het publiek kreeg, met een weergaloze naturel, een doorsnede te horen van het spectrum aan harmonische wendingen en zich in gewijzigde gedaante herhalende cellen. Het emotionele ontsproot integraal uit het esthetische register – de gevoelsmatige dimensie werd immers niet ten volle ontwikkeld. De melomaan luisterde dus niet naar maar door Mozart heen. Een geweldige ervaring, hoewel de aanpak – meer Duits-analytisch dan spitant-gevoelsmatig? – niet unaniem werd gesmaakt.

Na de onderbreking ging Nelsons op hetzelfde elan verder, zij het in een werk dat zich daar minder goed toe leent. De gepijnigde ontboezeming die Tchaikovsky’s zesde symfonie is, laat per definitie minder afstandelijkheid toe. Toch koos Nelsons er ook hier voor om begeleidende partijen te emanciperen, volledige doorzichtigheid na te streven en geladen stiltes in te lassen. Tel daar een sporadisch onzuiver intonerende hoornsectie en wisselvallige houten bij op, en je hebt een lezing die bij vlagen verplettert, doch elders wat verkrampt aandoet.

Enkele keuzes legden wel erg veel nadruk, daar waar elke toegevoegde geste het gevaar met zich meebrengt dat de integriteit van Tchaikovksy’s hoogstpersoonlijke idioom aangetast wordt. Zover kwam het gelukkig niet, wat niet wegneemt dat een neiging tot maniërisme verhinderde dat de ervaring waarlijk overrompelde.

Ook ‘Chiasma’, een nieuw werk van Thomas Larcher, induceerde trouwens geen extase. Het concert opende met dit weliswaar kleurrijk georkestreerde toondicht waarin de Oostenrijkse componist de lichte muziek, met het accordeon als exponent, in contact brengt met de symfonische traditie. De twee gaan een dialoog aan, waarbij eerst ritmisch en harmonisch protest uitbreekt vooraleer de instrumentengroepen zichzelf en elkaar in de consonantie (opnieuw) ontmoeten. Hoewel intrigerend qua parcours, doet de wat Hegeliaanse uitwerking echter aan stoffig modernisme denken.

Gemengde gevoelens dus, hoewel de teneur van het concert in zijn totaliteit – dat overigens op een staande ovatie werd onthaald – zich zonder twijfel in positieve regionen situeert.