Frédéric Chopin, ‘Nocturnes’

De ziel om zeep?

Toucher. Pedaal. Rubato. Legato. Reliëf. Tenuto. Zinsbouw. Staccato. Dynamiek. Harmonisatie. Textuur. Metrum. Enzovoort. Het aantal parameters waaraan de kwaliteit van een muzikale uitvoering kan worden afgetoetst, is schier oneindig. Toch is de ware complexiteit van een interpretatie – of anders gezegd: haar ontroerend vermogen – een gegeven dat zich niet laat ontleden als som van enkele afzonderlijke delen. Er is een onbenoembare ‘juistheid’ nodig, eigenlijk een menselijk toets, om muziek van dode materie tot iets levend, iets echt, iets organisch te boetseren. Grote estheten en perfectionisten schieten er wat dat betreft soms bij in: ze tillen partituren technisch naar een zodanig hoogstaand niveau, dat de emotie op de een of de andere manier bekoelt. Niet voor het eerst lijkt het alsof ook pianist Nelson Goerner zich daar schuldig aan maakt.

De Argentijn wordt wereldwijd geroemd om zijn virtuoos vernuft. Jaren geleden was het Goerners landgenote Martha Argerich die zijn carrière in een stroomversnelling deed komen, onder andere door hem als een van haar pupillen mee te nemen op tournee. De klasse van Argerichs vroege opnames schuilt echter in de combinatie van loepzuivere pianistiek en passioneel temperament. Dat laatste lijkt niet aan Goerner besteed, want die zoekt veel meer de subtiliteiten in Chopins partituren op. Niet toevallig Chopin trouwens, want diens werk leent zich tot een verregaand stijlonderzoek. De schriftuur is dikwijls zodanig broos en ritmisch zo flamboyant, dat uitvoerders er heel wat mee kunnen aanvangen, op voorwaarde dat hun motoriek hen niet in de weg staat. De schoonheid van sommige nocturnes op dit album eindigt echter bij het compositorisch raffinement. In een goede Chopin-uitvoering is het fijnbesnaarde harmonische en melodische weefsel echter slechts een vertrekpunt.

Deze piekfijne vertolkingen laten de luisteraar achter met een dubbel gevoel. Door zeer secuur gekozen accenten te leggen slaagt Goerner erin om een aantal nocturnes als het ware opnieuw uit te vinden. Grandioos is dan zijn souplesse, die zowel inzichtelijk als praktisch van aard is. In enkele meer gekende opusnummers probeert Goerner echter demonstratief de geplaveide paden te omzeilen. Denk bijvoorbeeld aan het opus 27 nr. 2, waarvan het lyrische beginsel quasi uit elkaar valt door de chirurgische precisie waarmee Goerner naar nog niet geëxploreerde diepere lagen probeert te gaan. Die poging is moedig, maar wanneer het scalpel de ziel om zeep helpt, dan heeft de ambachtsman gefaald.