Esa-Pekka Salonen & Philharmonia Orchestra, Gent Festival van Vlaanderen

De avondschemer in klanksmurrie

Als theoretici begrijpen we de muziekgeschiedenis graag als een aaneenschakeling van dominante stromingen, gevolgd door anarchistische tijdingen – marginale bewegingen die zich soms opwerken tot een nieuwe hoofdstroom, of anders roemloos ten onder gaan als permanente kanttekeningen in de marge van het grotere muziekhistorische narratief. Als melomanen weten we echter dat strikt denken in termen van stijlen eigenlijk benevens de waarheid is. Neem bijvoorbeeld Bruckner en Schönberg. Die eerste plaatsen we aan het eind van de romantische as, diezelfde as waar die laatste radicaal komaf mee maakt. Echter ontmoeten de twee elkaar aan het begin van Schönbergs carrière. Spreekwoordelijk.

In de encyclopedieën heet Schönberg een boegbeeld van de Tweede Weense School, die een aanval inzet op een tonaliteit die tot begin twintigste eeuw een axioma is binnen het metier van componist. Wanneer het in Wenen geboren wonderkind zich uiteindelijk ontpopt tot beeldenstormer, heeft Schönberg de tonaliteit echter ten gronde verkend. Meer nog: zijn hervorming vloeit voort uit een confrontatie met de grenzen van de tonaliteit – grenzen die collega’s als Wagner, Bruckner en Mahler voor hem reeds hadden verkend. Aan hun grensverleggend onderzoek moest echter vroeg of laat een eind komen, en het zijn Schönberg en gevolg die de grens hebben getrokken. Radicaal, omdat vernieuwing zich pas ten volle kan manifesteren wanneer een impliciet verlangen in een expliciet keurslijf wordt gedwongen.

Binnen een concertavond werk van Schönberg en Bruckner naast elkaar horen, hoeft geen onderdompeling in volslagen verschillende werelden te betekenen. Als de kathedraal die Bruckners zevende is de bakens uitzet voor de symfonie van de late 19e eeuw, dan is het vanuit dit perspectief dat Schönbergs toondicht ‘Verklärte Nacht’ op zoek gaat naar de openingen in de ommuurde vesting die bij Bruckner nog als absolute waarheid geldt. Geschreven op een gedicht van Richard Dehmel, integreert Schönberg de perspectieven van een verteller, een man en een vrouw die op een avondwandeling tot inzichten komen voor wat hun verhouding tot de ander betreft. Alleen al dit gefragmenteerd opdelen van het waarheidsgegeven is in Bruckners universum, dat van een centraal fundament uitgaat, zo goed als onmogelijk. De vorm op zich is kortom al modern, net als het idioom. Oorspronkelijk geconcipieerd voor strijksextet, bereikt Schönberg immers een enorme densiteit qua stemmen, wat harmonisch tot een nu eens fragiele, elders schurende en nog elders etherische klankwolk aanleiding geeft.

De verdienste van Schönbergs eigen transcriptie voor strijkorkest is dat het lijnenspel doorzichtig en verfijnd blijft, ondanks de dikkere texturen. In een locatie zoals de Sint-Baafskathedraal gaat dat compacte karakter echter verloren: het geluid blijft immers in de immense ruimte zweven, waardoor de ervaring er meer een wordt van een brij dan van een strak uitgekiend mazenwerk. Bruckners symfonische bastion heeft daar minder last van, al heeft ook die partituur betrokkenheid van het publiek nodig. Hoezeer Salonen in de tweede beweging ook naar kamermuzikale intimiteit zocht, hij bereikte haar nooit. Het ruwere karakter van de derde beweging, dat dankzij een spitante tempovoering opzwepend werkte, miste zijn effect niet, en de gloedrijke finale al evenmin. Toch bleef de hele avond klinken als een herinnering aan uitgedoofde tijden, terwijl Schönbergs avondlijke schemering morgen nog even fonkelend zal ontbranden als ruim een eeuw geleden.