Emanuel Ax, Iván Fischer & Budapest Festival Orchestra, deSingel Antwerpen

Van smart naar schoonheid: een metamorfose

Meer en meer wordt Barokmuziek, en het oeuvre van Bach in het bijzonder, door voorvechters van de historische uitvoeringspraktijk opgeëist. Bijgevolg worden de interpretaties van niet-gespecialiseerde orkesten en dirigenten steeds zeldzamer. Of dat een slechte zaak is, valt te bediscussiëren. Wel is het zo dat de toenemende subspecialisatie tot een gefragmenteerd muzieklandschap leidt, met vaak 'enge' concertprogramma's. Dat de weg open ligt om de ingestelde tendenzen te doorbreken, is duidelijk. Niet onlogisch dus dat een figuur als Iván Fischer, die altijd en overal een lans breekt voor de muziek zelf en niet voor de geplogenheden, de sprong waagt.

Vorig weekend opende het concert van het Budapest Festival Orchestra in deSingel met Bachs derde orkestsuite in D (BWV 1068). Fischer had zijn musici helemaal achteraan op de bühne opgesteld, in de warme beslotenheid van een halve cirkel. Deze ongewone opstelling, het alternatieve instrumentarium en de wijze van interageren tussen musici en dirigent: het verschilde ingrijpend van wat naderhand zou volgen.

Dat Fischer en gevolg geen specialisten zijn in dit repertoire, was duidelijk. Voortdurend werd er naar een goede balans gezocht, overigens zonder deze ooit te vinden. De kopersectie verhield zich te volumineus tot de strijkers, en de musici legden daarenboven geen vlekkeloos parcours af. De houten eisten bovendien een te bescheiden rol op. Al bij al liet het Budapest Festival Orchestra echter een degelijke vertolking optekenen, waarbij Fischer het karakter van de muziek goed leek aan te voelen. Door de technische problemen en het onevenwicht qua klank werd het echter geen concertopener om wild van te worden.

In Mozarts twintigste pianoconcerto leken de initiële reserves te zullen verdwijnen. De introductie werd door Fischer met een ongewone hoeveelheid pathos bijzonder efficiënt gepresenteerd. Het trage tempo en de zeer heldere opdeling van het orkestapparaat in verschillende geledingen droeg daar toe bij. Met de intrede van de solist, in casu Emanuel Ax, kwam de helderheid van het muzikale discours evenwel te verwateren.

Hoewel een virtuoos die zich niet verschuilde achter het pedaal of achter overdreven zwier, miste de Amerikaan het vermogen om een narratief te ontspinnen dat consistent en doorzichtig aandeed. Integendeel was het verloren lopen in de wispelturige cadenzen en was het zoeken naar een heuse dialoog tussen orkest en solist. Vooral in de eerste twee bewegingen werd het concerto nooit echt concertant in de oorspronkelijke betekenis van het woord. Het opbod, het onderling verheffen, het bewustzijn van elkaar: het ontbreken ervan liet deze Mozart enigszins uitgehold aanvoelen.

Met Tchaikovsky's vierde symfonie veegden Fischer en gevolg alle scepsis echter van tafel. Het Budapest Festival Orchestra nam dit opusnummer onder het baton van Fischer op in 2004, en sindsdien kent de dirigent het stuk door en door. Uitzonderlijk was dat de Hongaar er behalve de noodlottige zwaarte ook lichtheid in terugvond. Niet alleen het scherzo werd een speels kapittel, ook in de eerste twee delen liet Fischer met vindingrijke fraseringen, uitgelichte details en een expliciet streven naar samenhang veel warmte en tederheid toe.

De uitgekiende dramaturgie ontsloot de indruk dat Tchaikovsky via zijn opus 36 het omvattende levensleed via de muziek zelf wilde overstijgen. En zo geschiedde. Met als fenomenale toemaat Strauss’ ‘Pizzicato-Polka’. Een staaltje grandioze slapstick, zoals alleen Fischer dat kan.