Anton Bruckner, ‘Symphony no. 7’

Een kathedraal van klank

Het had een doodgewone vrijdag kunnen zijn. Bewolkt met plaatselijke buien, file op de Antwerpse ring, het gebruikelijke geharrewar in de Wetstraat. Toch werd vrijdag 2 maart 2012 een dag die in het geheugen gegrift zal blijven staan. Althans voor wie de avond doorbracht in Concertgebouw Brugge. Daar was immers dirigent Iván Fischer te gast, in goed gezelschap bovendien. Met zijn Budapest Festival Orchestra, waarvan hij zelf ruim drie decennia geleden aan de wieg stond, liet hij Bruckners zevende symfonie (de meest gespeelde) verrijzen uit de dode materie van het papier. Niet alleen werd het een vrijdag vol nieuwe inzichten, gebalanceerd samenspel en illuster soleerwerk, ook en vooral de warmte van Fishers lezing vervulde de eerste tot de laatste man. Een zo intense ervaring past vanzelfsprekend niet in een cd-hoes, hoewel ook van deze opname een bijzondere gloed uitgaat.

Reeds de eerste minuten symfonie verraden dat Fischer zich opnieuw met zijn handelsmerk zal profileren. Dat handelsmerk heet ‘oorspronkelijkheid’. Zonder op een gekunstelde manier Bruckners monumentale symfonische blokken te proberen verbinden, laat Fischer ze naast elkaar bestaan. De resultante is, in tegenstelling tot de verwachtingen, helemaal geen versnipperd geheel: de boog die de zevende beschrijft, wordt op een vanzelfsprekende manier geconstrueerd. Zelden maakt een dirigent Bruckners gemoedsschommelingen zo aannemelijk, zelden slaagt een orkest er in het weefsel van de partituur zo aanschouwelijk te maken voor het publiek. In plaats van binnen het werk bepaalde lijnen onmiskenbaar ondergeschikt te maken aan andere, gaat Fischer veel delicater te werk. Hij laat de veelheid aan muzikaliteit in het stuk als dusdanig bestaan. Daardoor ontstaat echter geen overladen uitvoering, geen interpretatie die zwelgt in overdaad. Fischers uitvoering is een van de weinige waaruit blijkt dat Bruckners tot de nok gevulde orkestratie weg blijft van bombarie, op voorwaarde dat de dirigent zich niet in excessen verliest.

Het is bovendien Fischers verdienste dat hij zich niet tot regelrechte pathetiek laat verleiden. Het Wagneriaanse adagio dwarrelt hier rond met een licht parfum. Dit emotioneel gedicht is niet het zwaartepunt van de zevende, wel het kloppende hart er van - melancholie is bij Fischer de motor, niet de uitkomst. Uitgesponnen lyriek met fenomenaal samenspel in het eerste deel, gebalde energie en vreugde in het derde, een gepassioneerde catharsis aan het slot: deze interpretatie heeft het allemaal. Alleen jammer van enkele seconden ruis tijdens het eerste deel.