Antoine Tamestit, Daniel Harding & Orchestre de Paris, BOZAR Brussel

Hoe hedendaags is hedendaags klassiek?

Recente muziek die gekoppeld wordt aan zijn laatste voltooide werk: Gustav Mahler zou het vast geweldig gevonden hebben, te meer als wijlen de pleitbezorger van nieuwe creaties zichzelf naast een van de toonaangevende figuren binnen het modern klassiek geafficheerd had gezien. Jörg Widmann, de componist wiens altvioolconcerto afgelopen donderdag zijn Belgische première beleefde, is ondertussen een ervaren rot. Geen wonder dat zijn ‘Viola concerto’ getuigt van groot vakmanschap. Echter, is dit soort museale artisticiteit bestand tegen de tand des tijds?

Een traditioneel concerto had Widmann niet voor ogen. Behalve een muzikaal discours omvat het werk immers ook een visueel register. Zo nam Antoine Tamestit tijdens zijn uitvoering op het Klarafestival initieel niet plaats naast de dirigent. Integendeel, hij bracht de eerste geluiden voort vanuit een verdoken positie tussen de orkestleden. Een gimmick? Zeker niet. De theatrale geste is namelijk metaforisch voor een creatie waarin het idee van de solist als individu tegenover het orkest als groep genuanceerd wordt. Welbeschouwd gaat Widmanns concerto, als broeikas voor de sonoriteit van instrumenten, compleet voorbij aan het denken in termen van protagonisme en antagonisme.

Opvallend is verder dat het werk niet met harmonie aanvangt. Eerst wordt de altviool slechts als materiaal behandeld, kortom als bewerkt stuk hout. Vanuit deze openbaring van de oorsprong van klank ontspint zich een zoektocht naar lyriek en naar een vast tonaal centrum, dat de solist pas in de laatste minuten lijkt te vinden. Vooraleer dit acme te bereiken, moet Tamestit de snaar eerst al tokkelend ontdekken, vervolgens al strijkend, om pas in een laatste stadium de potentie van het interval als voorwaarde voor consonantie op het spoor te komen.

In BOZAR gaf Tamestit het‘worden’ van de partituur zowel muzikaal als fysiek episch gestalte. Hij sloop over de scène, schreeuwde zich een luttele seconde de longen uit het lijf en plukte zelfs een snaar in de vernieling. Aan engagement geen gebrek, hoewel tegenover de instinctieve benadering van de solist een onzeker Orchestre de Paris stond. De musici brachten bepaalde kleuren weifelend tot klinken en lieten zich technisch helaas op calamiteiten betrappen.

Los van de uitvoering stelt zich de vraag wat er van dit concerto overblijft wanneer men de programmatische franjes wegdenkt. Hoewel intelligent gearrangeerd, lijkt het lot van dit concerto al beschoren. Wie goed luistert, hoort het stof tussen de noten immers al dwarrelen. Hoe hedendaags is hedendaagse muziek als het hedendaagse publiek er massaal van wegloopt?

Waar Daniel Harding doorheen het altvioolconcerto investeerde in helderheid, bleek transparant contrapunt evenzeer een speerpunt van zijn lezing van Mahlers zwanenzang. De dirigent disseceerde het kluwen van over en onder elkaar buitelende stemmen tot een lucide geheel, waarvan de analytische teneur de volle ontplooiing van de karakteriële rijkdom echter in de weg stond. De tweede beweging dobberde bijvoorbeeld plompverloren tussen humor, ironie, vreugde en afgrijzen in, zonder dat Hardings leidende hand hier het interpretatieve voortouw nam. Pas in het tragische laatste deel ontvouwde zich de existentiële en kosmische reikwijdte van de partituur, waarbij het Orchestre de Paris zich als een geconcentreerde eenheid op de elegische finale stortte.

Hardings lezing werd er een van sporadische hoogtes, maar ook van vlaktes. En laat Mahlers negende nu net een monument zijn dat staat bij zijn grillige parcours. Juist, ja: welke vlaktes?