Wauter Mannaert: 'De banale momenten zijn de beste'

Interview met Wauter Mannaert: 'De banale momenten zijn de beste'

Alsof hij met de doden zelf kon communiceren, zo snel stond fotograaf Arthur Fellig in de jaren veertig in de achterbuurten van New York naast de nog warme lijken. Hij verdiende er zijn bijnaam Weegee aan, naar de fonetische uitspraak van het Ouija-bord. Stripmakers Max de Radiguès en Wauter Mannaert goten het leven van een van de meest iconische persfotografen van de vorige eeuw in stripvorm. Maar eerst moeten we Wauter toch eens vragen wat nu eigenlijk De Geslepen Potloden zijn …

WM: Judith Vanistendael, Eva Hilhorst, ikzelf en architecte Barbara Roosen deelden vroeger een atelier in Molenbeek. De Geslepen Potloden is de naam die beginnen gebruiken zijn toen we gevraagd werden om onze tekenkunsten publiek te tonen. In de loop van de jaren zijn we van vier nar veertien tafels gegroeid en verhuisd naar Schaarbeek. Uniek is de tweetaligheid die ongeveer evenredig verdeeld is: de helft Nederlandstaligen, de helft Franstaligen. Dat proberen we ook zo te houden. De naam zorgt voor nogal wat hilariteit bij de Vlamingen omdat de Franstaligen geen idee hebben wat hij betekent (lacht).

‘Weegee’ is ook ontstaan in het atelier.

WM: De Geslepen Potloden is superbelangrijk voor mij. Ik maak er mijn tekeningen voor BRUZZ (Brussels weekblad, nvda) en heb er samengewerkt met bijvoorbeeld Eva Hilhorst aan stripreportages. Mark Bellido, die het scenario voor mijn vorige strip ‘El Mesías’ schreef, heb ik leren kennen via Judith. Ik ga bewust op zoek naar mensen die met hetzelfde bezig zijn, om kennis uit te wisselen en met elkaar samen te werken.

We woonden allebei al jaren in Brussel maar Max heb ik eigenlijk leren kennen op het stripfestival in Angoulême. Het geeft aan hoe afgescheiden van elkaar de Nederlandstalige en Franstalige stripgemeenschappen in België nog steeds leven. Ondertussen maakt Max ook deel uit van het atelier. Ik was al langer gefascineerd door Weegee dus het was een fijne verrassing toen bleek dat Max een scenario over hem had geschreven. Uiteraard was het erg comfortabel om het boek samen met elkaar te maken in één ruimte. Als ik aan een plaat aan het werken was, moest ik maar naar zijn tafel slenteren om te vragen wat hij er van vond (lacht).

Weegee

Wat maakte Weegee zo boeiend voor jou?

WM: Zijn superkrachtige beelden spraken onmiddellijk tot mijn verbeelding toen ik als student een boek van hem ontdekte. Ik wist niks over zijn persoon, afgezien van de verhalen zoals de politieradio in zijn auto en de donkere kamer in zijn kofferbak. Ik keek toen op naar zwart-wittekenaars zoals Hugo Pratt, Edmond Baudoin en José Antonio Muñoz en zijn foto’s sloten daar wel bij aan. Bovendien waren die overgegoten met een sausje uit het New Yorkse nachtleven.

Een tentoonstelling in Antwerpen een paar geleden gaf me meer inzicht in de mens Weegee. Hoe de totstandkoming van zijn foto’s verweven was met zijn persoonlijk leven, dat was een openbaring. De kranten vroegen spectaculaire foto’s dus balanceerde Weegee tijdens zijn zoektocht naar sensatie al eens op het randje doe beelden te manipuleren of zelfs te faken. Een deel van de romantiek is tijdens die expo verdwenen maar er kwam iets interessants in de plaats, namelijk de fascinatie voor de persoon.

Weegee’s foto’s hakken er in maar zijn tegelijk ook diepmenselijk.

WM: Die contrasten in zijn werk en in zijn persoonlijkheid wilden we ook meegeven. We hebben ons voornamelijk laten inspireren door zijn autobiografie. Daarin portretteert hij zichzelf als een soort stoere Indiana Jones. Toch moet zijn werk af en toe onder zijn vel gekropen zijn. Hij geeft zelf toe dat hij de zelfmoorden niet aan kon. Dat hebben we verwerkt in de weerkerende nachtmerries die hij heeft.

Weegee was op zijn best in zijn stad, in zijn wijk, maar tegelijk droomde hij er van om die Lower East Side te ontvluchten en beroemd te worden in Hollywood. Dat is hem ook min of meer gelukt maar zijn foto’s uit die periode hebben voor mij toch niet meer dezelfde impact als zijn vroeger werk.

Weegee

Nog een contrast: Weegee werkte voor de populaire pers maar droomde van erkenning door de kunstwereld. Mag ik daar een parallel trekken richting stripwereld?

WM: (Lacht) Die vergelijking hebben we zelf ook wel gemaakt maar we wilden ze niet bewust in het boek meenemen. Dat neemt niet weg dat we een beetje hetzelfde gevecht voeren. In Frankrijk is een strip gewoon een strip, soms een dik boek, soms een reeks, en die kunnen perfect door volwassenen gelezen worden. In Vlaanderen en Nederland krijg ik vaak de vraag wat er foutgelopen is waardoor mijn tekeningen nog in zwart-wit zijn (lacht). We zijn dus nog niet helemaal waar we zouden moeten zijn.

De Nederlandse stripmaker Typex moest zich onlangs verantwoorden voor de Andy Warhol Foundation omdat hij in zijn stripbio van Warhol kunstwerken van de man toont. Hadden jullie hetzelfde probleem?

WM: We hebben nergens letterlijk foto’s van Weegee getekend behalve wanneer hij die bijvoorbeeld zelf toont in het verhaal. Letterlijk foto’s overtekenen werkt niet in een strip, daarvoor zijn de twee te verschillend. Een foto haalt zijn kracht uit de momentopname terwijl een strip net een opeenvolging van beelden is. Ik ben wel aan de slag gegaan met de foto’s van Weegee en heb zijn decors en personages op verschillende plaatsen in de strip ‘geplakt’. Bovendien is de Andy Warhol Foundation allicht nog wat machtiger dan de erfgenamen van Weegee dus we hebben het er maar op gewaagd (lacht).

Weegee

Max en jij vertellen maar over een beperkt deel van Weegee’s leven en dan nog in losse anekdotes in plaats van feitelijke gebeurtenissen.

WM: Voor ons zijn de emoties van onze personages het belangrijkste. Een feitenstrip interesseert me niet. We volgen Weegee in zijn dagelijks leven en tonen ook de banale momenten, zoals ’s avonds staan afwassen. Voor mij zijn dat de beste momenten in de strip omdat ik iets van mezelf in dat personage kon leggen in de hoop dat de lezer met hem zou kunnen meeleven. ’s Avonds afwassen is allicht toch herkbenbaarder dan als hardboiled persfotograaf in de auto door New York scheuren (lacht).

Opvallend: je hebt voor je strips nog nooit samen gewerkt met een ‘volbloed’ scenarist.

WM: Max is inderdaad een tekenaar die nu voor het eerst een scenario voor iemand anders heeft geschreven maar het was wel af. Hij heeft het al tekenend geschreven en daarna in tekst vertaald, waarna ik het opnieuw in beelden omzette. Op dat gebied was deze samenwerking makkelijker dan die met Mark, van wie ik een massieve tekst op mijn bord kreeg (lacht). Ik moest alles zelf visueel uitdenken wat erg boeiend was maar onhaalbaar om voor elke strip te doen. En Pierre De Jaegher, die het verhaal schreef van mijn debuut ‘Ondergronds’, had wel scenario gestudeerd, hoor (lacht).

Je hebt uiteraard nog steeds je werk als illustrator en cartoonist maar zit er ook al een nieuw stripproject in de pijplijn?

WM: Momenteel ben ik El Mesías naar het Frans aan het vertalen. We voeren een redelijk intensieve promocampagne voor ‘Weegee’ en dan heb ik nog een zoontje van drie maand thuis (lacht). Ik ben zelf een scenario aan het schrijven voor mijn volgende strip, dat moet nog herwerkt worden. Ik hoop tegen de zomer klaar te zijn met tekenen. Ik wil het ditmaal dichter bij mij houden dan pakweg het New York van de jaren veertig (lacht). Het boek zal gaan over stadsboerderijen en guerilla gardening, zaken waar veel mensen in Brussel mee bezig zijn. Het wordt een kruising tussen André Franquin en Roald Dahl, de twee personen die het eerste zaadje in me geplant hebben om zelf strips te maken en verhalen te vertellen. Zonder mijn jeugdige obsessie voor hun boeken zou ik vandaag waarschijnlijk geen striptekenaar zijn.