Thomas Du Caju & Jean-Claude van Rijckeghem

Interview met Thomas Du Caju & Jean-Claude van Rijckeghem

'Little England' is een strip gesitueerd in Birma, speelt zich af tijdens de Tweede Wereldoorlog, wordt bevolkt door Britse kolonialen, Amerikaanse kapiteins en een tiener met gemengd bloed, maar toch werd 'm gemaakt door twee Belgen: Jean-Claude van Rijckeghem en Thomas Du Caju. Twee mannen met ervaring. Als scenarist verdiende van Rijckeghem zijn sporen in de film- en tv-wereld. 'Aanrijding in Moscou' en 'Amigo's' zijn maar enkele van de vele producties die hij mee geschreven heeft. Du Caju tekent dan weer voor de immens populaire stripreeks 'De Kiekeboe's'. Hoe hebben beide heren elkaar ontmoet? Waar liggen de fundamenten van hun Birmees avontuur?

Cutting Edge: 'Little England' is jullie tweede samenwerking. Voordien hebben jullie de reeks ‘Betty & Dodge’ gemaakt, samen met Pat van Beirs. Kenden jullie elkaar al voor jullie daarmee begonnen?

Jean-Claude van Rijckeghem: Nee, eigenlijk niet. We hebben elkaar leren kennen omdat onze dochters in dezelfde school zaten. Dat is nu al, euh, ….

Thomas Du Caju: Een hele tijd geleden.

JCvR: Inderdaad, want onze dochters zijn ondertussen al volwassen. Thomas maakte strips, ikzelf was al scenarist - hoewel niet voor strips… En zo is het begonnen.

Zoals je aangaf, heb ik het scenario van ‘Betty & Dodge’ samen met Pat van Beirs geschreven. Thomas wilde graag een verhaal dat zich in de late jaren dertig zou afspelen. Hij wou de specifieke sfeer van die tijd in de strip steken. De typische esthetiek, de auto’s… Pat heeft daar heel veel research naar gedaan.

CE: ‘De jaren dertig’, dat lijkt ons een nogal breed uitgangspunt.

TDC: Dat was een volledig esthetische keuze. Het zag er toen anders uit. Boeiender. Kijk naar de bouten en moeren: nu zijn dat van die hele kleine dingetjes, toen waren die enorm. Ze hadden nog vorm. Je had een gigantische sleutel nodig om ze op hun plaats te zetten. Dat biedt voordelen voor een tekenaar.

Of een stoomlocomotief, dat is over het algemeen esthetischer om te tekenen dan een elektrische trein.

Plus, plots was alles mogelijk. Een mens kon de oceaan oversteken, er waren al vliegtuigen. Wat mogelijkheden biedt voor het scenario.

'Betty & Dodge', en de glorie van de oude machine. Tegenwoordig wordt de reeks uitgegeven door BD Must.

CE: Jean-Claude, meestal schrijf je samen met andere scenaristen, zoals Pat van Beirs voor ‘Betty & Dodge’. ‘Little England’ heb je helemaal alleen geschreven. Waarom?

JCvR: Wel, mijn schrijfpartner was bezig met een roman, waardoor hij zijn geest niet kon vrijmaken voor ‘Little England’. Het album moest tegen een bepaalde datum klaar zijn, waardoor er toch wat tijdsdruk was… Daarom ben ik er dan maar alleen aan begonnen.

Ik was er wel een beetje bang van. Zeker toen Thomas aangaf dat hij iets in het Birma van de jaren 40 wilde doen.

CE: Het initiële idee kwam dus weer van jou, Thomas?

TDC: Ja, de sfeer hé. Waarom Birma… Ik wilde vooral niet Europa, Japan of de Verenigde Staten . Het moest iets minder voor de hand liggen. De sfeer en het decor van Birma stonden me aan. Bovendien biedt het land veel mogelijkheden. De natuur daar is heel mooi, je hebt die koloniale toestanden. De Indiërs zaten daar in de buurt, er is de inval van de Japanners… Ik zag daar wel een verhaal in.

CE: Jean-Claude, jij mocht dat verhaal dan schrijven. Aangezien je er nu alleen voor stond, kunnen we ons inbeelden dat je iets miste. Een klankbord. Heb je dan meer hulp gezocht bij Thomas?

JCvR: Dat viel eigenlijk nogal mee…

TDC: inderdaad, ik denk dat we elkaar nu even vaak gebeld hebben dan ten tijde van ‘Betty & Dodge’.

CE: Thomas, hoeveel invloed heb je op het verhaal van Jean-Claude?

TDC: Scenario's schrijven is echt mijn ding niet. Ik heb dat al geprobeerd, maar ja... Ik laat dat liever over aan mensen die daar verstand van hebben.

CE: Wat uiteraard niet wil zeggen dat je geen mening hebt over wat de scenarist schrijft.

TDC: We discussiëren wel hé. Wat gebeurt er en wanneer... Maar ja, Jean-Claude schrijft zo'n goeie scenario's dat ik niet zou weten wat er aan te veranderen.

JCvR: Een reactie op een verhaal komt vaak intuïtief. Het werkt of het werkt niet.

TDC: Ik moet wel zeggen dat ik me redelijk vrij voel om een en ander te veranderen, eens ik het op papier zet. Dat moet dan niet over de plot gaan, maar over dingen als locaties. Soms zien iets er anders uit in het scenario dan op papier. Een lange scène die zich op één locatie afspeelt, kan heel boeiend zijn in woorden, maar als je het dan uittekent, begint dat te storen. Je ziet continu dezelfde achtergrond, hetzelfde kleurenpalet...

JCvR: Of hij geeft aan dat er teveel dialoog is. Dan schrap ik wat.

CE: Wanneer zijn jullie met 'Little England' begonnen?

TDC: Dat idee over Birma zal nu twee jaar oud zijn.

JCvR: Ik herinner me dat ik aanvankelijk twee verhalen in mijn hoofd had. De klik is er pas gekomen toen ik het personage van Jonathan ontwikkeld heb. Een jongen van zestien, met gemengd bloed. Het leek me interessant om zijn verhaal te vertellen. Of toch in de eerste twee delen. Hij zal evolueren, opgroeien in bizarre omstandigen.

Jonathan, een tiener in een uitzonderlijke situatie

Jonathan maakt dit verhaal anders. Mocht hij niet zijn wie hij is, dan zou ik een ander soort verhaal geschreven hebben – iets in de ‘Buck Danny’-sfeer, met meer spionage en pure actie. Dat zou ook ok zijn, maar dit is persoonlijker.

Ik merk in details dat het dicht bij mij ligt…

CE: En welke details zijn dat?

JCvR: Ik heb ook nog jeugdboeken geschreven, en daar is het hoofdpersonage ook vaak vijftien, zestien jaar. Iemand die zijn plaats in de wereld zoekt. Ik vind dat interessanter dan een verhaal waarin ik enkel volwassenen introduceer.

‘Betty & Dodge’ is voor een stuk ook een dergelijk verhaal. Ook Betty evolueert. Ze groeit: van een jonge, Britse, ietwat wereldvreemde aristocrate verandert ze in een wereldwijs persoon. Zelfs in een actieheldin.

Niet dat ik dat altijd bewust zo doe, maar dat is wel de lijn die er in zit.

CE: Weet je nu al hoe het verhaal zal verdergaan? Op de achterkant van ‘Little England’ staat dat het tweede deel eraan komt. Hoe ver staan jullie daar mee?

JCvR: Dat is al geschreven en, tenzij ik me vergis, al voor de helft getekend.

TDC: Ja, zo iets.

CE: Dus jullie weten al waar het naartoe gaat. Hoe zien jullie deze reeks eigenlijk? Als iets wat lang zal lopen. Of zijn jullie voorzichter en is dit een tweeluik?

TDC: Het zit zo, en ik denk dat we het daar over eens zijn, als je in strip een verhaal goed wil vertellen, dan heb je twee albums nodig. 46 pagina’s is net te weinig. Zeker als je nieuwe personages wil introduceren.

Ook uitgeverijen redeneren tegenwoordig zo – per twee albums.

Dit zou de cover van 'Little England 2' worden. Meer vliegtuigen, meer avontuur!

CE: Hebben jullie al een idee voor een derde?

TDC: Ja en nee. Dat kan nog alle kanten op gaan. Doen we verder met dezelfde of met andere personages? Beginnen we met iets totaal nieuw?

JCvR: De setting biedt zeker en vast materiaal voor meer strips. Sowieso. Daar komt bij dat Jonathan geen klassieke held is. Hij zal opgroeien. Deel drie zal zich zes maanden later afspelen dan dit eerste album. Want daarin zal de evacuatie van Birma beginnen – dat is april, mei 1942. We volgen dus de belangrijke historische data.

CE: Je kent al die data? Dat doet vermoeden dat je veel resarch gedaan hebt voor ‘Little England’. Hoe ben je daar aan begonnen?

JCvR: Ik moet toegeven dat ik eigenlijk niet veel over het land wist. Ik heb dus inderdaad alles moeten opzoeken. En dat begint op Wikipedia (lacht). Makkelijk was het niet. Ik vond niet direct een boek dat alles mooi samenvat.

TDC: Er zijn wel enkele goede BBC-documentaires.

JCvR: Ja, en ik heb twee memoires gebruikt, van militairen uit de tijd. Die vertellen heel zorgvuldig wat er op welke dag gebeurde. Absurd gedetailleerd (lacht). Ik heb daarin moeten zoeken naar bruikbaar materiaal. Best lastig.

Ik heb ook ‘Burmese Days’ van George Orwell gebruikt. Hij woonde in de jaren 20 in Birma en heeft daar veel over verteld. Over hoe het leven er daar aan toe ging. Daarnaast was er een non-fictie boek van een Birmaans auteur, over de geschiedenis van zijn land. En zelfs de reisgids 'Trotter', over Myanmar, is van pas gekomen.

CE: Hoe belangrijk is historische correctheid voor jullie?

JCvR: Ik neem vrijheden, maar als het juist kan, dan doe ik het correct.

Maar die research dient niet enkel de historische correctheid, ik doe dat ook gewoon graag. Het werkt ontzettend inspirerend! Niets helpt beter tegen writer's block dan een trip naar de bibliotheek (lacht)

TDC: De realiteit is altijd interessanter dan de fictie.

JCvR: Ja ja, zeker!

CE: Dus, Thomas, jij geeft de setting: Birma in de jaren 40. Je gaf al aan dat je een voorliede hebt voor oude machines. Jean-Claude, we vermoeden dat je daarom zoveel vliegtuigen in het verhaal gestoken hebt.

JCvR: Ja. Zeker. Maar ook omdat de uitgeverij – het Franse Zéphyr – gespecialiseerd is in vliegtuigstrips. Vliegtuigen, treinen, auto's.

TDC: Zéphyr is een soort gespecialiseerde striplijn van Dupuis – een uitgeverij die hun strips een label geeft per onderwerp. Alles wat beweegt, komt bij Zéphyr, dingen om te lachen steken ze daar, …

Andere Zéphyr-strips: 'Air Forces Vietnam, tome 2', 'La Brigade du Rail 1', 'U-47, tome 5'

TDC: Ik vrees trouwens dat we sommige mensen teleur gaan stellen. Want eigenlijk is 'Little England' helemaal geen vliegtuigstrip.

CE: Je moet dat positief bekijken: je zal ze aangenaam verrassen. 'Vliegtuigstrip' lijkt me ons trouwens een breed te interpreteren term.

TDC: Er worden daar nochtans veel strips uitgebracht die echt wel enkel en alleen over vliegtuigen gaan.

JCvR: Bij ons zit het er een beetje tussen in. In het tweede deel zullen er ook veel treinen en trams zitten (lacht)

CE: Thomas, om die vliegtuigen te tekenen, ga jij je ook documenteren. Heb je een aantal modellen in huis?

TDC: Modelletjes niet hé. Je hebt daar moderne versies van: 3D-files. Die bekijk je op je computer, je draait ze rond zoals je wil.

CE: Teken je die dan letterlijk na?

TDC: Goh, het moet echt wel correct zijn. Zéphyr is daar heel streng in.  Dat komt omdat hun lezers zo iets eisen. Dat zijn echte fanatici. Dus ja, alleen al daarom moet je een foto hebben waarop het vliegtuig in de juiste positie getoond wordt.

Enkele vliegtuigen uit 'Little England'

JCvR: Kijk, ook dat werkt insprirerend. In het tweede deel speelt er zich iets af in Rangoon – waar toen van die typische Engelse trams rondreden. Wel, dan schrijf je een actiescène op de tram. Dat is nog nooit gedaan. Zo probeer je fris te zijn.

CE: Thomas, ‘Little England’ is niet de enige reeks die je tekent. Je werkt ook mee aan ‘De Kiekeboes’.

TDC: Ja, voor ‘De Kiekeboes’ maak ik de potloodtekeningen. Dat is semi-studiowerk. Ik maak de tekeningen in potlood, iemand anders doet de inkting, enzovoort.

CE: Met hoeveel werken jullie aan één album?

TDC: Euh, Rob zelf (Robert Merhottein, alias Merho. Nvdr.), de potloodtekenaar, inkter, inkleurder, en dan nog iemand bij de uitgeverij die instaat voor de opmaak van het album. Een vijftal mensen dus.

CE: Kan je bij ‘De Kiekeboes’ je ei kwijt? Of is het eerder broodtekenen?

TDC: Goh, het is tekenen dus het blijft geestig hé. (lacht tevreden)

CE: Heb je nood aan projecten als ‘Little England’?

TDC: Ja ja, zonder zou ik zot worden.

JCvR: Ik denk ook dat Thomas veeleer een realistisch tekenaar is. Eerder dan dat hij een karikaturale stijl hanteert. Kiekeboe en ‘Little England’ zijn eigenlijk totaal verschillend.

TDC: Ja, maar niet alleen in tekeningen. Ook qua scenario, de manier van vertellen…

CE: Moet je veel moeite doen om de Kiekeboe-stijl vast te krijgen?

TDC: Nee, dat ging wel… Het heeft even geduurd. Maar daar heb je het voordeel dat de albums in studioverband gemaakt worden. De dingen die ik net wat anders tekende, werden er uitgehaald door een andere persoon met jaren ervaring. En zo lijkt elk album uiteindelijk op een ‘Kiekeboe’.

Links: 'De Kiekeboes', rechts: uit 'Little England'

CE: Mogen we zeggen dat ‘De Kiekeboes’ je hoofdberoep is, en dat ‘Little England’ een extraatje is?

TDC: Striptekenen is mijn hoofdberoep, en om daarvan te overleven, teken ik zowel 'De Kiekeboes' als deze reeksen.

CE: Dus je komt thuis van de studio om dan aan 'Little England' te beginnen.

TDC: Ik werk thuis. Studio's bestaan niet meer.

JCvR: Het studiosysteem, maar dan van thuis uit. Dat kan tegenwoordig. Met WeTransfer en dergelijks. (lacht)

CE: Maar niettemin moet je dus als tekenaar je dagen verdelen over 'De Kiekeboes' en 'Little England'. Gaat dat? Is dat makkelijk?

TDC: Dat gaat. Soms is dat al eens moeilijker dan anders. Dan had ik gepland om op die dag zoveel pagina's voor 'De Kiekeboes' te maken, maar dan komt daar iets tussen. Je kent dat. Maar dat ligt eigenlijk aan mezelf.

CE: Dan zal je enkele nachten moeten doorwerken.

TDC: Nee, dat doe ik niet meer. Ik probeer het gewoon op tijd af te hebben. Ik moet wel zeggen dat ik al eens vergeet welke dag van de week het is, of het nu vakantie is of niet. Dat is een heel raar leven.

Ik vind het zo goed als onmogelijk om alles deftig te plannen. Je kan wel zeggen dat je een jaar aan 46 pagina's wil werken, maar dan varieert het nog, hé. Sommige dingen teken je op twintig minuten, over andere doe je drie uur. Dat valt niet te voorzien. Soms ergeren de uitgeverijen zich daar aan, maar daar is niets aan te doen.

CE: Hoe reageren die dan?

TDC: In het slechtste geval moet de verschijningsdatum verlegd worden.

We moeten wel toegeven dat Zéphyr daar heel goed in is. Die rekenen een marge in, ze weten waar ze mee bezig zijn. Ze hebben verstand van timing. Meer nog, ze gunnen ons liever meer tijd, zodat alles perfect afgewerkt kan worden, dan dat ze je zitten te pushen.

Links: Cover van de Nederlandstalige editie van 'Little England', uitgegeven door Dupuis. Rechts: Cover van de Franstalige editie, uitgeven door Zéphyr. 

CE: Dat klinkt niet echt commercieel.

TDC: Nee, maar toch is het zo.

JCvR: Bij Zéphyr hebben ze trouwens heel goede feedback gegeven, ook op het verhaal.

CE: Aha, de uitgeverij bemoeit zich ook met de ontwikkeling van het scenario?

JCvR: Kijk, het is net als bij film: het is een samenwerking. De uitgever is uiteindelijk je eerste lezer, en bovendien eentje die het goed wil vinden. Als die dan opmerkingen geeft, dan zijn die gemeend en, moet ik toegeven, ook vaak terecht.

Een dergelijke interactie vind ik heel belangrijk. Dat werkt stimulerend: hun opmerkingen doen je verder nadenken en stimuleren je om een bepaalde scène te herwerken. Dat maakt het verhaal beter.

Ik verkies dat boven een uitgever waar je niets van zou horen. Ik wil opmerkingen – maar ook veel enthousiasme.

TDC: Ik moet wel zeggen dat ze ons voor het tweede deel met rust laten. Alsof ze ons nu onze gang durven laten gaan.

CE: Hoe komt dat, denk je?

TDC: Voor een uitgever is een nieuwe strip altijd een zware investering. Misschien hadden ze voor het eerste deel niet echt een beeld van wat het zou worden en deden ze daarom meer hun zegje. Nu weten ze wat de reeks voorstelt. Ze zullen nu meer vertrouwen hebben.

CE: Jean-Claude, je gaf het net even aan: je komt eigenlijk uit de filmwereld. Vanwaar de drang om ook stripscenario’s te schrijven?

JCvR: Ik wilde dat graag doen. Ik ben met strips opgegroeid. Ik ben fan van de grote stripscenaristen van vroeger, zoals Goscinny (van oa. ‘Asterix’, ‘Lucky Luke’, nvdr.) en Charlier (van oa. ‘Buck Danny’). Het leek me gewoon een mooie uitdaging, en De Standaard heeft het mogelijk gemaakt die aan te gaan door mee in het ‘Betty & Dodge’-avontuur te stappen. Sindsdien is het nooit meer gestopt. Je kan zeggen dat we voor elk jaar sinds 2008 een strip gemaakt hebben.

CE: Wat zijn de grote verschillen tussen schrijven voor film en tv en schrijven voor strips?

JCvR: Ik voel me veel vrijer bij een strip. Een filmscenario moet langs ontzettend veel mensen passeren. Ik schrijf het, dan heb je de interpretatie van de regisseur, er zijn de acteurs die een dialoog op een bepaalde manier zullen uitspreken...

Bij een strip is dat volledig anders. Af is af.

CE: In een strip kan je doen wat je wil.

JCvR: Inderdaad. En daar komt bij dat een film maken immens veel geld kost. Daar werken heel erg veel mensen aan mee. Voor deze strip moesten maar twee mensen betaald worden. Dat maakt een verschil.

Een verhaal als dat van ‘Little England’, dat zich in het verleden en in het buitenland afspeelt… Dat zou niet te betalen zijn in film.

Eerste pagina uit 'Little England': 'Birma, regenseizoen, 1941' - en garantie voor een groot filmbudget

CE: Strips geeft je absolute vrijheid.

JCvR: Ja... Het is te zeggen: de beperktheid hier ligt in de 44 pagina’s. Een roman schrijven: dat is volledige vrijheid.

TDC: Het is opmerkelijk hoe snel dialogen rollen in een film… Als je de duur van de dialogen afweegt tegenover de hele duur van de film, dan merk je dat dat vooruit gaat. Bij een strip ligt dat anders. In een strip zullen dialogen snel te veel plaats innemen – en er is niets erger dan een strip waar teveel tekstballontjes in staan.

Dat is volgens mij het grootste verschil met film – die dialogen.

JCvR: Ik word ook moe van te veel dialogen.

Ik wil altijd dat mijn verhalen entertainend zijn. Ik lees niet graag strips die zeer, zeer serieus zijn. Ik heb het moeilijk met dingen die je twee keer moet lezen voor je door hebt waar het over gaat – complottheorieën en dergelijks.

CE: Hebben jullie nog andere stripprojecten gepland?

TDC: Ideeën heb ik genoeg, maar een agenda zit al snel vol.

JCvR: Ik zou graag verder gaan in de strip. Een strip per jaar, dat is wel mooi. Maar als dat niet lukt, tja, dan is dat zo.

Ik vind het leuk om af te wisselen tussen strip, film, tv en romans. Je blijft bezig. Dat helpt me bij de concetratie. Ik heb geen tijd om te wachten op de muze.

CE: We begrijpen het. Laten we dan niet meer van jullie tijd in beslag nemen. Hartelijk bedankt voor het interview!