Steven Dupré

Interview met Steven Dupré

Steven Dupré: striptekenaar en -scenarist. De man achter 'Migard': een verhaal over aliens en vikings, geweldig en volledig van Dupré's hand. Ook de man achter het tekenwerk van 'Kaamelott': de razendpopulaire stripreeks, gebaseerd op de gelijknamige Franse tv-show. Frans, inderdaad. Dupré maakt deel uit van het selecte groepje Vlamingen dat voet aan grond heeft in Frankrijk. Hij is er een veelgevraagd tekenaar. Vorige week verscheen 'De roofdierenclub' – een verhaal gesitueerd in het Londen van de 19de eeuw. Een verhaal waarin Jack the Ripper nooit ver weg is.

Cutting Edge: Je hebt 'De roofdierenclub' samen met de scenariste Valérie Mangin gemaakt. Hoe en waarom hebben jullie besloten om samen te werken?

Steven Dupré: Dit was niet ons eerste project. We hebben eerder al geprobeerd om een science-fiction-verhaal te maken, maar dat is op niets uitgedraaid. Het genre bleek me niet te liggen – of toch niet in de realische stijl die Valérie voor ogen had. Voordien heb ik me al aan science-fiction gewaagd, denk maar aan 'Midgard', maar dat was iets anders. Met 'Midgard' kon ik doen wat ik wilde. Daar was ik vrij. Valéries realistische aanpak was echt niets voor mij. Ik had dat gelukkig snel door – al in de ontwerpfase. Ik heb het dan opgegeven. Jammer, want het was wel een goed verhaal.

Even later heeft Valérie iets anders geschreven, iets dat mij meer zou liggen. Dat is 'De roofdierenclub' geworden.

Oon, de alien uit uit Dupré's (gedeeltelijke) science fiction-strip 'Midgard'

CE: Het verhaal is dus enkel en alleen voor jou geschreven?

Dupré: Ja, maar dat is logisch. Je werkt samen, en dan houd je vanzelf rekening met wat de andere wil. Voor een tekenaar is dat waar hij zich goed bij voelt – wat hij graag tekent, wat niet.

CE: Wat teken jij graag?

Dupré: Ik teken veel liever historische verhalen. Geen science-fiction. Of eigenlijk: geen moderne dingen. Tegenwoordig is alles zo glad en koel. Dat vind ik niet interessant.

CE: Wat was je reactie op het verhaal toen je het voor de eerste keer las? Het valt niet te ontkennen dat het redelijk tot fel choquerend is. Verraste je dat?

Dupré: Ik had dat science-fiction verhaal al gelezen, dus ik wist wat ik kon verwachten. Ook dat was niet al te braaf. Het verbaasde me dus niet echt. Wat niet wil zeggen dat ik niet van mijn melk was.

CE: Dat is positief, vermoeden we.

Dupré: Zeker. Valérie wil met haar verhaal iets los maken bij de lezer. En je moet toegeven dat ze daar zeker in geslaagd is (lacht).

De eerste pagina's van 'De roofdierenclub'

CE: Hoe verschillend is Valérie van de andere scenaristen met wie je al samengewerkt hebt?

Dupré: Als ik het vergelijk met Alcante, met wie ik regelmatig samenwerk (onder andere voor het derde album uit Alcantes reeks 'Pandora Box' en voor de reekst 'Benoît Olivier' nvdr.), moet ik zeggen dat er niet veel verschil is. Van beiden krijg ik het volledig afgewerkte scenario met een groot deel van de documentatie al bijgeleverd.

CE: Wat bedoel je met documentatie? Zijn dat foto's, …

Dupré: Inderdaad: beeldmateriaal. Bijvoorbeeld: in het begin van 'De roofdierenclub' moest ik een gevangenis tekenen, eentje die ondertussen niet meer bestaat. Je kan die enkel nog terugvinden op oude gravures, of andere oude prenten. Van die dingen heeft Valérie me bezorgd.

CE: Hoe belangrijk vind je het om de historische details correct weer te geven?

Dupré: Wel, eigenlijk vind ik dat helemaal niet zo belangrijk. Het is wel van belang dat het verhaal geloofwaardig blijft – het moet overeenkomen met de tijd waarin het zich afspeelt. Maar het hoeft niet voor de volle honderd procent historisch accuraat te zijn.

Als ik een jurk van een vrouw teken, vind ik het niet erg dat die eigenlijk pas dertig jaar later in de mode was. Dat staat het verloop van het verhaal niet in de weg. Ik maak geen verhalen voor historici. Ik wil mensen entertainen. Hen een half uurtje aangename lectuur te bezorgen. Het is geen documentaire, hé.

Dit gezegd zijnde: het blijft wel een historisch verhaal. Je kan niet om de documentatie heen. Zowel Virgénie als Alcante komen me daar in tegemoet.

CE: Wanneer je een volledig afgewerkt scenario krijgt, heb je dan de kans om dat nog aan te passen? Wil je dat eigenlijk wel?

Dupré: Ik veronderstel dat ik dat kan, maar ik vind dat niet nodig. Ik heb niets aan Valéries scenario veranderd. Dat was goed.

CE: Het lijkt ons dat, omdat je zelf scenarist bent, je ook je eigen mening vormt, meegaat in de fantasie van het verhaal en er je eigen ding mee wil doen?

Dupré: Nee, ik zie dat toch anders. Zij doet haar job, ik de mijne. Het gebeurt wel eens dat ik minieme aanpassingen voorstel. Bijvoorbeeld door iets in één prent in plaats van twee te tonen. Van die dingen. Maar dat verandert niets aan het verhaal zelf.

Als ik met een scenarist werk, dan ben ik de tekenaar. Ik moet me ten dienste stellen van het verhaal. Je kiest nu eenmaal voor een scenarist omdat je vindt dat die goede verhalen schrijft (lacht). Dat is een taakverdeling en ik respecteer die.

Met Valérie en Alcante loop je trouwens niet het risico een slecht scenario te krijgen. Er is dus ook geen drang om eraan te beginnen sleutelen. Er is niets om te verbeteren. Dat zijn professionals.

CE: Krijg je veel aanbiedingen van scenaristen? Hoe beslis je om samen te werken met iemand. Groeit dat uit een vriendschap?

Dupré: Valérie kende ik amper. De uitgever heeft ons aan elkaar gekoppeld. Zelf had ik werk nodig en Valérie was op zoek naar tekenaars voor haar nieuwe projecten.

Vanuit mijn opzicht, tja... een mens moet werken hé. Ik zat bijna zonder 'Kaamelott'-scenario's, één van mijn andere reeksen. Dus ik had tijd – wat niet onbelangrijk is.

CE: Over hoeveel tijd spreek je dan? Hoe lang heb je aan 'De roofdierenclub' gewerkt?

Dupré: Dat moet twee jaar zijn. Maar, ik moet erbij vermelden dat ik in die tijd ook twee andere albums getekend heb. Dus, laat ons zeggen: een jaar en een beetje.

Ik moet wel toegeven dat 'De roofdierenclub' het meest intensieve tekenwerk is dat ik al gedaan heb (lacht).

CE: Hoe komt dat?

Dupré: Wel, ik werk graag met arceringen en dat vergt enorm veel tijd. Dat zijn miljoenen en miljoenen lijntjes die je op het papier moet zetten – dat gaat niet altijd vooruit hé. Plus, dit is een strip van 52 bladzijden, en geen 46. Dat laat zich ook voelen.

Laat ons zeggen dat ik gemiddeld vijf tot zes dagen aan één pagina gewerkt heb. Gemiddeld: sommige waren veel moeilijker en eisten meer tijd op. Zoals de pagina's met de massascènes, zoals op de markt, met allemaal kraampjes, groenten en visssen. Ik heb quasi alle kasseien van elke weg getekend.

arceringen, keien en een duister Londen

CE: Heb je de gravure-stijl bewust toegepast? Maak je voor elke nieuwe strip een dergelijke keuze?

Dupré: Nee, want als ik slim was, dan tekende ik veel eenvoudiger. Het zou sneller vooruitgaan – je moet weten dat ik per pagina betaald word. Wat er op die pagina staat, heeft geen invloed op de prijs. Mannen als Joann Sfar of Lewis Trondheim hebben het makkelijker – die kunnen vier tot vijf pagina's per dag tekenen.

Maar nee, dat is een overweging die je niet mag maken. Je tekent in dienst van het verhaal – als dat inhoudt dat je een bepaalde sfeer moet creëren, dan moet je dat doen. Zelfs als dat veel werk vereist.

Zo'n stijl zoeken is iets dat gevoelsmatig gebeurt, dat is geen rationele keuze.

CE: We moeten zeggen dat je arceringen een mooi resultaat hebben opgeleverd. Je bent erin geslaagd om die duistere periode van het 19de eeuwse Londen pakkend in beeld te brengen.

Dupré: Bedankt. Maar je mag hier het belang niet onderschatten van Roberto Burgazzoli: de inkleurder.

CE: Uiteraad. We vermoeden dat je met hem wel uitvoerig moet overleggen over waar je exact naar toe wil.

Dupré: Het heeft een hele tijd geduurd vooraleer hij de juiste toon te pakken had. Hij had een paar proefplaten gemaakt, en één daarvan kwam in de buurt van wat wij wilden. Wij: dat is Valérie, de uitgever en mezelf. We hadden een sfeer in gedachten maar Roberto had die niet meteen te pakken. Zelfs na die ene plaat, heeft hij nog moeten zoeken. Hij kon die sfeer niet onmiddellijk opnieuw creëren.

Maar eens hij het had, ging het allemaal heel vlot. Vanaf dan hebben we amper nog commentaar of opmerkingen moeten geven. Hij was mee – hij voelde het. Neem bijvoorbeeld het contrast tussen de scènes in de arme buurten en die in de rijkere interieurs. De sfeer verandert naargelang de omgeving. Dat hebben wij Roberto niet moeten vragen. Hij wist dat.

CE: Je bent nu ongeveer vijfentwintig jaar bezig...

Dupré: Iets langer al. Van 1987 – dus bijna dertig jaar.

CE: Hoe kijk je terug op je carrière? Dertig jaar is al een hele periode.

Dupré: Dat is al respectabel hé (lacht). Hoe kijk ik daar op terug? Wel, met gemengde gevoelens eigenlijk.

Ik heb het geluk gehad dat ik mijn eerste strips voor een krant maakte (de reeks 'Wolf', nvdr.) Ik moest toen in heel korte tijd heel erg veel produceren. Die jaren zijn mijn opleiding. Daar heb ik het vak onder de knie gekregen.

Zo'n dertig jaar gaat met ongelooflijke ups and downs. Mocht ik op voorhand geweten hebben wat er mij te wachten stond, dan zou ik getwijfeld hebben. Ik ben niet zeker of ik dan nog professioneel stripmaker geworden was.

CE: Over welke ups and downs heb je het dan?

Dupré: Het is een heel onzeker bestaan. Op zich is dat geen probleem – als je geen verantwoordelijkheden hebt, geen gezin, geen hypotheek. Dan maakt dat niet uit. Ik heb in halve krotwoningen gewoond. Ik ben zelfs een paar maanden terug bij mijn ouders gaan wonen.

Kijk, als je werk hebt, gaat het wel. Maar er is geen garantie op lange termijn. Zelfs niet als je een contract hebt bij een uitgever. In dat contract kan wel staan dat het om een reeks van zes albums gaat, maar als er na twee strips beslist wordt de stekker uit het project te halen, dan sta je daar. Je dacht werk te hebben, maar dat blijkt niet zo te zijn. Dan moet je op zoek gaan naar iets nieuws. En zelfs al vind je dat, dan is zoiets niet op twee weken tijd opgestart. Er gaan maanden overheen vooraleer er beslist wordt om een project uit te voeren. En gedurende tijd zit je zonder inkomen.

Pas op: het is nog altijd een toffe job. Maar je moet werk hebben. Als dat niet zo is, dan is het paniek.

Kijk naar 'Kaamelott'. Ik verwachtte voor die reeks elk jaar een album te kunnen maken, maar het laatste deel is nu al vier jaar geleden verschenen. Het volgende, het achtste, heb ik getekend tot pagina vijfentwintig. Dat valt dan tegen. Maar ja, Alexandre Astier, de scenarist, laat lang op zich wachten. Het scenario van bladzijde zesentwintig van deel acht is er nog altijd niet. Daar kan ik niets aan doen.

'Kaamelott' - losjes gebaseerd op King Arthur. Geschreven door Alexandre Astier.

CE: Je zegt dat je bezig moet blijven. Er moet gewerkt worden, er moet geld verdiend worden. Hoe vallen je eigen projecten daartussen. Je reeks 'Midgard' bijvoorbeeld – we hopen dat deel drie er snel aankomt.

Dupré: Dat hoop ik ook.

CE: Maak je die reeks volledig op eigen kosten? Of is er een uitgeverij die zich daar achter zet.

Dupré: Met 'Midgard' heb ik jaren geleurd, maar niemand toonde interesse. Tot ik uiteindelijk meer dan de helft in mijn vrije tijd heb getekend – dan spreken we toch over meer dan honderd pagina's. Daarmee kon ik de uitgevers een duidelijk beeld geven. Casterman heeft het dan uitgegeven in het Frans. Zelf heb ik via de Stripgilde de Nederlandstalige versie gemaakt – die eigenlijk meegefinancierd werd door Casterman.

Maar dat is op een verschrikkelijke manier misgelopen.

CE: Op welke manier?

Dupré: Tja, qua verkoop. Daar is echt op een heel domme manier mee omgesprongen. Gevolg: na twee delen heeft Casterman er de stekker uit getrokken, waardoor er nu niets meer gefinancierd wordt. Zelf kan ik de kosten van een vervolg niet dragen – al de tijd en het geld dat je in het maken van zo'n strip steekt... Dat gaat niet.

CE: Hoe zie je dat nu evolueren?

Dupré: (zucht) Ik heb nu andere dingen te doen hé (lacht). Dus dan schuif je 'Midgard' weer achteruit. Ik spreek er wel over. Ik laat het al eens vallen, maar er moet iemand toehappen.

CE: Maar je weet hoe het derde deel er uit zal zien?

Dupré: Daar is al een heel deel van getekend. Het scenario is nog niet helemaal af, maar al wel vergevorderd. Uiteraard heb ik ideeën. Dat was bedoeld als een langlopende reeks... (lacht). Je ziet hoe de dingen kunnen lopen.

Maar ik zeg het: ik moet nog minstens één 'Benoit-Olivier' tekenen, en het tweede deel van de 'Roofdierenclub'. Mogelijk komt er daar nog iets anders tussenin. En wie weet deblokkeert 'Kaamelott'. Dus het kan dat ik binnenkort met vier dingen tegelijk bezig ben.

CE: Dan blijf je goed aan het werk.

Dupré: Ah ja, je hoort me ook niet klagen (lacht).

CE: Maar goed ook. Hartelijk bedankt voor dit gesprek.


Nog enkele prenten uit 'Midgard' - naar onze bescheiden mening één van Steven Dupré's beste. Aliens en Vikingen kwamen nooit beter samen