Saskia De Coster

Interview met Saskia De Coster

De laatste weken is Saskia De Coster niet uit de media weg te denken. Met haar meest recente roman 'Wij en ik' schreef ze een Vlaamse roman van formaat en zet ze zichzelf als nooit tevoren op het literaire voorplan. Hoog tijd dus voor een uitgebreid gesprek met Cutting Edge. In het gezellige Café Mombasa raakten we verwikkeld in een interessante conversatie over tapijten kammen, Bob Dylan en kreupelnaturalisme.

CE: 'Wij en ik' is een familie-epos over een aristocratische familie, waarin vele zaken ontmaskerd worden als fake. Denk maar aan de geveinsde vriendelijkheid van Mieke of het ophouden van de schijn dat alles goed gaat. Uiteindelijk gaat er toch heel veel fout en lijk je aan te geven dat die manier van leven gedoemd is te mislukken. Geef je hiermee, al dan niet bewust, kritiek op deze laag van de bevolking?

SDC: Ik denk wel dat het kritiek is, maar het is zo eenvoudig om gewoon je pijlen op iemand af te schieten. Dan sta je er lijnrecht tegenover. Ik wou vooral van binnenuit werken. Zo kan Mieke inderdaad niet loskomen van bepaalde conventies en haar identiteit wordt een façade. Als dat dan ontmaskerd wordt, besta je eigenlijk niet meer. Dat is één van de moeilijkheden voor iemand als Mieke. Ook bij Stefaan vreet de ambitie hem bijna op tot zijn eigen kern weg is. En dat is wel iets onthutsend. Dus je stelt wel terecht dat het een kritiek is, maar ik heb niet besloten om eens een grote kritiek te schrijven, want dat vind ik een politiek uitgangspunt en dat is mijn ambitie niet. Mensen zijn immers niet van nature politieke lezers. Je kiest eerder een politieke richting die aansluit bij jouw eigen aanvoelen en de manier waarop je in het leven staat. Ik denk dat er heel weinig mensen met een ideologie geboren worden.

Ik wou vooral de mensen bekijken en zien hoe zij zich gedragen ten opzichte van elkaar. Een centraal aspect daarbij is absoluut de schijn, alle regels en conventies die moeten gevolgd worden, traditie. Ik vind dat wel interessant omdat je op de grens zit van wat enerzijds nodig is van regels en traditie om als maatschappij, als gezin of als elke vorm van samenleving te kunnen bestaan en wat anderzijds een uitvinding is die zomaar blijft bestaan.

CE: Het gezin hangt eigenlijk aan elkaar van clichés, bijvoorbeeld met de neurotische moeder die tapijten gaat kammen, de uitgebluste vader en de rebelse dochter die daartegenin probeert te gaan door met drugs te experimenteren.

SDC: Het was mijn opzet om een boek te schrijven dat het niet moet hebben van de spectaculaire of bizarre personages, zoals bijvoorbeeld in mijn debuutroman. Hier wou ik echt clichés gebruiken, zoals je zegt, en daar dan in kruipen. Wie zijn zij dan eigenlijk, want ze zijn allemaal stereotiepen.

CE: Zoals reeds gezegd, bestaat de hobby van Mieke erin om tapijten te kammen. Dat is eigenlijk een heel absurde gedachte. Vanwaar komt dat?

SDC: Wel, het grappige is dus dat er al heel wat mensen me hebben gezegd dat hun moeder ook vroeger tapijten kamde. Er bestaat ook werkelijk zo'n assortiment van kammen, dus daar is echt een markt voor.

CE: Het is ook iets psychologisch. Mieke lijkt immers haar problemen, bijvoorbeeld het bezoek van haar broer Jempy, als het ware uit haar leven te kammen.

SDC: Ja, het is iets obsessiefs. Je kan een tegel schuren tot hij helemaal kapot is. Dus het is iets zelfreinigends, maar heeft ook geen zin. Als Jempy dan op bezoek komt, trekt Mieke haar grenzen wel open. Want als hij haar broer niet was geweest, was hij voor haar echt een paria. Daar moet ze toegeven aan het biologische feit dat ze verwant zijn en aan een niveau van menselijkheid dat blijkbaar toch in onze genen zit.

CE: Jempy lijkt op dat vlak soms de tegenhanger van Stefaan. Hij heeft een wijnhandel en het gaat hem voor de wind, terwijl Stefaan zijn best doet om in dat milieu te passen, zich kapotwerkt en faalt.

SDC: Jempy is inderdaad een man van dertien stielen, iemand die zichzelf steeds heruitvindt, die daardoor gedreven wordt. Vandaag is dit zijn grote liefde en morgen dat. Dat is een heel andere dynamiek die veel gezonder is omdat hij daardoor dichter bij zichzelf staat, terwijl Stefaan een ideaal gaat nastreven. Ambitie is belangrijk, maar je moet steeds voor ogen houden wat je wilt en het doel en het gevoel worden zo verward bij Stefaan. Jempy is dan iemand die zwalpt door het leven en zich aan thema's vastgrijpt. Dat is een modernere manier om in het leven te staan, tegenover het conservatieve en ouderwetse van het verkavelingsmilieu dat steeds teruggrijpt naar tradities, naar regels die vaststaan en waar niet al te veel mee kan geprutst worden. Dat is een verhaal dat wel op zijn einde loopt.

CE: Stefaan zegt enkele keren dat hij zijn lot verbindt met dat van Bob Dylan. Waarom Dylan? Wat heeft Stefaan met Dylan en wat heeft Saskia De Coster met Dylan? Is het omwille van de melancholie of past het gewoon bij hem?

SDC: Dylan is een all American hero en heeft precies tien generaties ingeslikt. Hij heeft alle genres bewandeld en ze op die manier ook naar zijn hand gezet. Dat maakt het heel makkelijk om je daarmee te identificeren. Ik ben bijvoorbeeld zelf ook Dylan-fan en ik vind dat van mezelf raar, want ik ben voor de rest niet echt zo'n bluesfan. Maar dat komt omdat hij iemand is die veel ruimte openlaat voor interpretatie en mysterie. Het geeft mij iets vertrouwds, want ik associeer dat met de leeftijd van tien jaar, wanneer ik zat te tekenen. Dus dat wordt bijna een leven op zich.

Voor Stefaan zijn dat ankers waaraan hij zich kan vastklampen. Hij voelt zich verbonden met iets dat hem kan raken, met emotionaliteit, terwijl hij zich vreemd voelt ten opzichte van zijn familie. In het gezin is hij de buitenstaander en hij lijdt daar onder, maar muziek is iets irrationeel, meer dan literatuur. Ik ben daar wel jaloers op omdat je rechtstreeks kan boren naar een gevoel met een directheid die ook van de luisteraar komt. Zo heeft Stefaan het gevoel dat bepaalde stukken voor hem zijn gemaakt.

Daarnaast is Dylan een Jood en het lijden van de Joden zit ook wel in het boek verwerkt. Zo heeft Stefaan Sarah een Joodse naam gegeven. Dit is eigenlijk iets wat ik nog niet verteld heb, maar het gaat ook om wie verantwoordelijk is voor iets. Stefaan voelt zich heel schuldig voor de dood van zijn broertje. Dat was strikt gezien zijn schuld niet, maar hij ziet het als een emotionele schuld die hij moet afbetalen, onder andere aan zijn moeder. Langs de andere kant zegt hij dat de corruptie in zijn bedrijf niet op zijn schouders valt en wordt dat eindeloos doorgeschoven. Dat is eigenlijk vergelijkbaar met Eichmann, een ambtenaar die na de Tweede Wereldoorlog zei dat hij enkel de regels had gevolgd en dat het zijn schuld niet was. Op die manier krijg je dus een eindeloos doorgeven van schuld, waarvan ik denk dat wij daar heel goed in zijn. Dat interesseerde me ook wel bij Stefaan, er zit een onvermijdelijke neergang in hem. Hij identificeert dat dan voor zichzelf als een soort van Joods lijden.

CE: Uit verschillende aspecten wordt het duidelijk dat Stefaan dood moet. Komt dat omwille van het feit dat hij zich niet goed voelt binnen dat elitaire milieu, waar hij totaal niet op zijn plaats is, of heeft het eerder te maken met de genen, waarvan je zegt dat ze zelfmoord doorgeven, en dus determinisme?

SDC: Dat is een interpretatie en eigenlijk heb ik geprobeerd om dat in vraag te stellen. Er mag bijvoorbeeld niet gesproken worden over de foto zijn van broertje. Dat is een open wonde en dat blijft en wordt groter. Ik denk dat zelfmoord vastzit in een systeem dat wordt overgedragen. Stefaan geeft daar aan toe, maar Sarah weigert. Je kan een exacte kopie zijn van je ouders, maar heel goed weten waarom en wat daarachter zit. Het kan dan een gevecht zijn of dat al dan niet bij jou past. Het erge is als je dat patroon gewoon klakkeloos navolgt zonder de zin ervan te zien, omdat zich dat altijd zal wreken. Dan zal er steeds onvrede sluimeren, die kan omslaan in twijfel en dan stort gans het bouwwerk in elkaar.

CE: Ondanks haar verzet daartegen, volgt Sarah grotendeels dezelfde weg. Ze wordt zwanger en Amos, haar geliefde, lijkt op vele vlakken op Stefaan. Dat deed ons denken aan onder andere 'De helaasheid der dingen' van Verhulst, waarin het hoofdpersonage ook voorbestemd is om zoals zijn vader te worden. Aangezien dit al in sterke mate aanwezig was in het naturalisme, kunnen we dan hier spreken van neo-naturalisme?

SDC: Dat is een goede opmerking, want ik ben me daar heel bewust van geweest, ook tijdens het schrijven. De naturalisten besloten om op een objectieve manier te schrijven met race, milieu, moment. Ik geloof daar niet in. Ik heb vooral het race benadrukt, het genetische, en ook het feit dat we daar zoveel belang aan hechten. Het is bijna een godsdienst op zich, een soort verklaringsmodel waaraan wij ons onderwerpen: 'Hij heeft gemoord, maar het waren de antidepressiva of het waren zijn genen'. Ik vind dat heel gevaarlijk. Ik heb het gebruikt, dat naturalistische element, maar ik ben me er ook van bewust dat dat niet werkt, dat dat ontoereikend is, dat er altijd ook een andere dimensie is. Dat is voor mij ook de 'wij' of bijvoorbeeld de scène met het monster op de zolder. Stefaan weet dat hij zijn dochter nooit zal kunnen beschermen tegen het monster op de zolder. Dat is de angst die mensen bezitten, een soort irrationele onderstroom die ons ongelofelijk bepaald. Dat is iets wat je in het naturalistische model niet kwijt kan. Dus ik zou het eerder kreupel-naturalisme noemen.

CE: De titel 'Wij en ik', verwijst dat naar het feit dat de leden binnen het gezin eigenlijk heel eenzaam zijn, of verwijst het eerder naar de 'wij' die regelmatig tussenkomt en instructies geeft?

SDC: Dat verwijst naar het feit dat je altijd een deel hebt dat gemeenschappelijk is en een dat niet overeenkomt. Dat is ook nodig, denk ik. Als je volledig opgaat in een groep, dan krijg je foute gemeenschappen, het fascistische dat zegt: 'Wij zijn één kracht, één stroom'. De 'wij' die tussenkomt staat los van een oordeel en is amoreel. Wat zij willen, is gewoon het leven verderzetten. Ook op wrede momenten, bijvoorbeeld wanneer Stefaan een vrouw gaat verkrachten, zeggen ze: 'Komaan, doe dat', om het leven, het zaad te verspreiden. Dat brengt ons bij voortplanting. Als we daar rationeel over zouden nadenken, zouden er te veel bezwaren zijn om dat te doen. De 'wij' verwijst dus naar een soort menselijke oerdrift die meester is over ons, die door ons stroomt. Op dat vlak zijn we eigenlijk de pionnen van de 'wij'.

CE: Is dit nu jouw meesterwerk?

SDC: Ik vind het goed en ik ben echt blij, want ik heb kunnen schrijven wat ik wou schrijven. Ik vind dit boek een volledig werk. Ik heb hier echt iets kunnen neerzetten. Mijn derde boek, 'Eeuwige roem', voelt bijvoorbeeld heel goed aan, maar daar zijn toch enkele onvolkomenheden aan. Nu ben ik terug een beetje slapeloos en lastig aan het worden, want ik heb echt zin om iets groots aan te vangen. Ik heb geen zin in kleine snippers of stukjes links en rechts. Ik heb in mijn hoofd al een idee wat dat zou kunnen zijn, in elk geval iets met muziek.

CE: Sluit je jezelf af tijdens het schrijven, leef je dan in een aparte entiteit, een cocon?

SDC: Ja, echt wel. Zeker de laatste maanden. Je wilt dan ook niets anders doen. Er is geen enkele vorm van verleiding, integendeel. Het is een vorm van niet-bestaan. Zoals Stefaan een destructieve vorm had van niet-bestaan, is schrijven eigenlijk het omgekeerde daarvan. Ik heb nu terug zin om daar terug in te stappen en aan iets nieuw te beginnen, maar met een visueel-muzikaal aspect. Ik heb daarvoor al een vaag plan in mijn hoofd.