Puur en swingend - Interview met Auke Hulst

Interview met Puur en swingend - Interview met Auke Hulst

Wij schudden schrijver, journalist en ‘Sponsored by Prozac’-frontman Auke Hulst de hand en geven onder het motto ‘eerlijk zij het een beetje onnozel’ maar meteen toe dat we niet veel vragen voorbereid hebben. Hij neemt zich lachend voor om het ons zeer moeilijk te maken. Gelukkig kunnen we zijn stoutmoedigheid temperen door zijn werk met dat van Murakami te vergelijken.
 
Auke Hulst: Jullie zijn de eersten die dat zeggen, maar het klopt, het is mijn lievelingsschrijver. Nu, het is niet alleen Murakami die me beïnvloed heeft. Ik vind Japan als cultureel geheel ook uitermate fascinerend. Dat is begonnen toen ik filmjournalist was. Wat ik interessant vind aan Japan is dat het de meest buitenaardse samenleving is die er op aarde bestaat. De Japanse samenleving is heel herkenbaar en anderzijds heel moeilijk te doorgronden. Je krijgt er geen vat op. Dat heeft iets te maken met de geschiedenis van het land. Japan is heel lang afgesloten geweest van de buitenwereld en heeft daarna heel vlug Westerse invloeden geabsorbeerd. Het heeft daar een soort van Westers vervreemdingseffect aan overgehouden. Wat ik mooi vind aan heel veel Japanse cultuur is dat het bovennatuurlijke en het onwerkelijke een belangrijke rol spelen, zonder die religieuze lading die het in het magische realisme van Zuid-Amerika en België wel heeft. Ik vind het een mooi middel om mee te werken, het onwerkelijke.

Toch is ‘Wolfskleren’ ook een erg empirisch, ervaringsgericht boek geworden. Dat heeft ook wel iets te maken met het boek dat ik hiervoor heb gemaakt, een reisboek over Jack Kerouac. Toen ik ‘On the road’ voor het eerst las, was dat een openbaring voor me. Eigenlijk is er heel veel op aan te merken, zoals dat het vormloos is, een chaos. Maar zijn benadering van schrijven is zo sterk en zo anders. Hij wil de ervaring zo puur en swingend mogelijk op papier krijgen. Zijn stijl heeft iets van het hele directe van jazz. Dat staat zo haaks op wat Nederlandse literatuur is. Dat is ironie, distantie, afstandelijk en afgemeten. Ze zijn hier bijna religieus in het onpassionele. Dan is het een bevrijding om zo’n benadering te ervaren. Vervolgens ben ik dan met die benadering ook op reis gegaan en daar heb ik dan ook heel veel van geleerd.

Ik denk dat voor dit boek vooral de combinatie van de invloed van Japan en van Amerika van belang waren. Amerikanen zijn sowieso ook veel passioneler in de literatuur dan Europeanen. Ik houd dus wel van die aanpak. Ik ben een schaver, ik flap het op papier en dan ga ik het achteraf bijwerken. Dat heeft te maken met mijn aard. Ik ben een onrustig persoon en kan me niet lang concentreren. Ik zit elke dag te wachten op een window of opportunity om te schrijven en dan moet het heel snel en heel heftig komen. Daarna moet je natuurlijk veel van je tekst weer weggooien. Ik zal altijd heel veel poetsen aan mijn tekst. Je hebt schrijvers die opstaan, om acht uur gaan douchen en om negen uur voor hun tafel gaan zitten. Dan schrijven ze tot vier uur en gaan daarna wandelen met de hond. Voor die aanpak ben ik een veel te grote chaoot.

Als muzikant werk ik in een heel andere vorm, ik begin eraan en ik heb iets binnen het uur. Daarna moet je het ook arrangeren en eraan schaven, maar het is toch eerder voor mensen van de korte adem, van de vlugge inspiratie. Ik gebruik heel veel muziekreferenties in mijn werk. Daar wordt het soms wat pathetisch van. Er zijn mensen die het boek pathetisch vinden. Arnon Grunbergliefhebbers vooral. (lacht) Ik ben niet zo bekend in Nederland, maar ik heb gemerkt dat er maar twee posities mogelijk zijn ten opzichte van mijn werk. Je vindt het ofwel geweldig of je vindt het afgrijselijk. Dat is heel polariserend. Dat heeft natuurlijk met de toon te maken. Het wereldbeeld is ook heel somber. Ik denk dat wat ik schrijf heel dicht op de huid zit en veel mensen vinden dat ongemakkelijk.

Wolff, het hoofdpersonage van ‘Wolfskleren’ is een typisch individu van deze tijd: een wat asociale, gevoelige jongen die niet zonder zijn iPod kan. Ga maar eens in een tram staan, de helft van de mensen heeft zo’n ding, zo’n hoofdtelefoon op zijn hoofd. De sociale interactie is er heel gering. Hoeveel ik ook van muziek houd, ik denk dat die evolutie een slechte zaak is. Een slechte zaak voor het sociale maar eigenlijk ook voor de muziek, die zijn waarde erdoor verliest. Muziek wordt behang. Mensen lopen voortdurend refererend aan hun culturele bagage door hun leven. Bij alles wat je meemaakt, moet je denken aan een film of een liedje of aan iets anders uit de popcultuur. Alles wordt tweedehands, een herhaling van iets dat je al binnen hebt gekregen. We leven erg refererend.

Woody Allen zei ooit dat we allemaal verziekt zijn door film. Onze hele idee van hoe een relatie moet zijn wordt onttrokken aan de film. Wij spelen onze relaties. Geen wonder dat ze dus niet werken. Er zijn heel veel romantische idealen, irreële verwachtingen. Met al die bagage gaan wij dan onze relaties aan. Ik heb zelf een erg explosieve relatie. Veertien keer uit elkaar in vier jaar is eigenlijk wel vaak. Toch?

Interview: Frank D'hanis
Foto's: Tamara Rafkin