Paul Auster

Interview met Paul Auster

‘Of wij Paul Auster morgen willen interviewen’, smste de PR-dame ons zondag. Terwijl wij halsoverkop zijn nieuwste boek, ‘Winterlogboek’, erbij namen, belden we tevergeefs rond om een fotograaf te vinden, die enkele portretten wil schieten. Als we een dag later bij de New Yorker aankomen, blijkt dat een geluk bij een ongeluk. Auster kampt met een ontstoken oog en kan geen scherp licht verdragen. Onder een zware zonnebril huist een vermoeide, stuurse man die erg kribbig op onze eerste vragen reageert. Naarmate blijkt dat we zijn werk meer dan behoorlijk kennen, ontdooit hij echter en transformeert in een erudiete en humoristische gesprekspartner.

CE: ‘Winterlogboek’ is de geschiedenis van uw lichaam, een non-fictiewerk waarin u terugkijkt op uw leven? Waarom besliste u zo’n autobiografisch boek te schrijven?
Auster: Geen idee. Ik wou het schrijven en daarom heb ik dat gedaan. Ik heb me trouwens nooit afgevraagd waarom ik een bepaald boek wou schrijven.

CE: Maar een terugblik op je leven, dat is iets waar mensen meestal pas in hun laatste levensjaren aan beginnen. U bent nog maar 65.
Auster: Ik ben inderdaad 65. Dat is toch al oud. Vind jij niet dat ik oud ben?

CE: Niet echt, nee. U bent even oud als mijn moeder en ik zie haar niet als een oude vrouw.
Auster: (zucht) Kijk, dit is niet het eerste autobiografisch boek dat ik schrijf. Dat zijn nooit bewuste keuzes geweest. Daarbij, ik moet me niet verantwoorden voor wat ik schrijf. Het is jouw taak als recensent om te kijken hoe een nieuw boek in mijn oeuvre past, niet de mijne. Zulke waaromvragen interesseren me niet.

CE: OK, dan gaan we over naar de hoevragen. ‘Winterlogboek’ is een heel fysiek boek. Het is niet enkel een terugblik op uw jeugd, op de plekken waar u gewoond hebt en de relaties die u gehad hebt. Het is bijna een naslagwerk van al uw ziektes, wonden en littekens. U schrijft heel expliciet over al uw pijn en verwondingen. In begin was dat ongemakkelijk om lezen.
Auster: (bits) Goed zo!

CE: Wat ik me afvroeg, hoe moeilijk was het om fysieke pijn onder woorden te brengen?
Auster: Erg moeilijk. Ik heb geprobeerd die gevoelens van pijn opnieuw op te roepen en te dissecteren. Maar schrijven is moeilijk, want een fysieke realiteit in woorden omzetten is erg complex. Bovendien heb je je, als echter schrijver, een doel voorop gesteld. Je wilt perfectie. Je wilt elke gevoel, elk idee feilloos verwoorden. Dat is een gevecht waarbij je steeds opnieuw begint totdat je tekst voldoet aan de eisen die je jezelf opgelegd had. Maar aangezien ik dit al meer dan veertig jaar doe, moet ik er toch het nodige plezier uit halen. Ik klaag dus niet.

CE: Nochtans luidt één van de weinige passages in ‘Winterlogboek’ die over schrijven gaan als volgt: ‘Je bent zonder enige twijfel een beschadigd en gewond mens, iemand die vanaf het allereerste begin een wond in zich draagt …’
Auster: ‘… waarom ben je anders al je hele volwassen leven bezig woorden op papier te bloeden?’ (lacht) Dat heb je goed opgemerkt. Maar het is waar. Ik denk dat elke artiest van binnen gewond is. Ze maken kunst om die kwetsuur te helen. Ik wil daar niet te zweverig over doen, maar ik heb het kunstenaarschap wel altijd als een wonde, of beter nog een ziekte, aangevoeld. Het gaat er om dat je de realiteit als onvoldoende aanvoelt. Het voelt alsof je er iets aan het leven moet toevoegen. Dat is echt een dwanggedachte. Je hebt geen keuze. Pas op: ik zeg niet dat zo’n bestaan waardevoller is dan dat van gewone mensen. Ik zeg enkel dat het een anders is.

CE: Waar komt die ziekte bij u dan vandaan? Hoewel ‘Winterlogboek’ memoires zijn, vind ik dat er niet in terug.
Auster: Dat klopt, maar dat was ook niet een bedoeling. ‘Winterlogboek’ is geen boek over mijn leven als schrijver, maar over mijn leven als een mens van vlees en bloed. Als je wilt weten waarom ik schrijf, moet je mijn andere boeken maar lezen. Het schrijverschap is één van mijn geliefde onderwerpen, tot ergernis van menig recensent (lacht).

CE: Doordat ‘Winterlogboek’ over ouder worden gaat en veel aandacht heeft voor de kwaaltjes die daarmee gepaard gaan, moest ik meer dan eens aan ‘Alleman’ van Philip Roth denken.
Auster: Dat is nochtans een boek dat ik niet gelezen heb.

CE: Maar hoe verklaart u dat het thema van ouderdom en ziekte schrijvers op een bepaalde leeftijd zo bezig houdt?
Auster: Ik veronderstel dat dat de angst voor de dood is. De dood is het meest universele thema. Op een dag gaan we er immers allemaal aan. Het is trouwens gek dat je Philip Roth noemt. Ik zou Philip geen vriend noemen, maar we zien elkaar af en toe wel eens. Toevallig vertelde hij me tijdens ons laatste etentje een anekdote over de leeftijd waarop zijn moeder hem uitlegde dat ook hij op een dag dood zou gaan. Hij vertelde me dat hij acht jaar was en nog nooit zo boos en verontwaardigd geweest. Als jonge jongen vond hij de gedachte om er op een dag niet meer te zijn zo confronterend dat hij zich een hele dag misdragen heeft (lacht).

CE: Over de dood gesproken, een thema dat sterk in het boek naar voor komt is de kwetsbaarheid van het leven. Een toevalligheid, één dom ongeluk en het is met ons gedaan. U beschrijft in dit boek hoe u zelf ooit bijna in een graat gestikt bent en hoe de oom van een vriend van u, een veteraan, het leven liet doordat hij ’s nachts over iets struikelde en met zijn hoofd tegen een tafelpoot viel. Ook in uw romans, bijvoorbeeld in Orakelnacht, speelt u hiermee. Houdt het u zo bezig?
Auster: Heel erg. Ik heb er trouwens in een vorig autobiografisch boek, ‘Oefeningen in waarheid’ al eens over geschreven. Een verhaal over een voorval dat ik ook in ‘Winterlogboek zijdelings aanraak. Toen ik 14 was, ging ik met een vriend wandelen. Het was op het platteland en op een bepaald moment moesten we onder een prikkeldraad kruipen. Hij ging eerst, maar net op dat ogenblik sloeg de bliksem in. De jongen werd geëlektrocuteerd en stierf. Het is waarschijnlijk een van de momenten die mij als mens het meest bepaald heeft omdat het me doordrongen heeft van hoe absurd het verschil tussen leven en dood is. Als we daar vijf minuten eerder waren aangekomen, leefde mijn vriend nu nog. Als we er 10 seconden later waren geweest, was niet hij, maar ik nu dood. Die gedachte vind ik nog steeds ondragelijk.

CE: Ik kan me voorstellen dat de fysieke aftakeling waarover u in ‘Winterzomer’ schrijft erg confronterend is. Is het boek daarom in de tweede persoon enkelvoud geschreven? Dat schept toch wat meer afstand dan de ik-vorm.
Auster: Misschien wel, maar dat was een onbewuste keuze. Ik begon te schrijven en dat bleek in de ‘je-vorm’ te zijn. Ik heb er achteraf over nagedacht en ben tot de conclusie gekomen dat het zo gewoon klopt. Literatuur moet over meer gaan dan over de schrijver alleen. Om een groot woord te gebruiken, moet het een universeel karakter hebben. Anders kan je beter een dagboek schrijven. Door de tweede persoon enkelvoud te gebruiken, creëerde ik een zeker intimiteit. Ik ben tegen mezelf aan het spreken alsof ik een vreemdeling voor mezelf ben. Het leest alsof ik aan het fluisteren ben. Tegelijkertijd voelt de lezer die steeds ‘jij’ leest zich ook aangesproken en begrijpt hij dat wat hij leest ook over hem gaat. Ik sta dus heel erg achter die misschien ongebruikelijke keuze omdat ze in mijn ogen noodzakelijk was.

CE: Iets anders dan; enkele weken terug raakte u verzeild in een ruzie met de Turkse premier Erdogan.
Auster: (verbaasd) Heeft dat zelfs hier het nieuws gehaald? Nu het klopt. Een tijdje terug kwam ‘Winterlogboek’ uit in Turkije en ik werd door een journalist gevraagd voor een interview. Dat leek mij het uitgelezen forum om te protesteren tegen de agressieve manier waarop de Turkse overheid journalisten en schrijvers bejegent. Dat is een onderwerp waar ik heel veel belang aan hecht. Het doet er toe. Ik vertelde de journalist dan ook dat ik uit protest niet naar Turkije wil reizen. Tot mijn grote verbazing reageerde niemand minder dan premier Erdogan zelf. Maar in plaats van mij waardig van antwoord te dienen, kwam er niets meer dan een incoherente scheldpartij waar hij om één of andere reden ook nog eens Israël bij sleurde. Ik liet in ‘The New York Times’ een korte repliek publiceren en tot mijn grote verbazing reageerde hij weer. Ik heb er toen even over getwijfeld om nog eens te antwoorden, maar ik vond dat mijn tweede stuk helemaal omschreef wat ik over de zaak te zeggen had, dus ben ik er niet verder op ingegaan.

CE: Ongeveer in dezelfde periode kreeg Gunther Grass het verbod om Israël binnen te komen. Officieel wegens zijn naziverleden, maar in feite omdat hij een gedicht gepubliceerd had waarin hij aanklaagt dat het land over atoomwapens beschikt. Het lijkt erop alsof politici nog steeds schrik hebben van wat schrijvers denken.
Auster: Zou het? Ik denk dat dat enkel het geval is voor politici in landen, die repressief zijn of op een andere manier niet goed functioneren. In een succesvolle democratie worden schrijvers gewoon genegeerd (lachje).

CE: Dat is een forse uitspraak over Israël.
Auster: Tja, ik ben van Joodse afkomst, maar dat belet me niet om een fervent tegenstander te zijn van sommige beleidsdaden van de staat Israël. Iedereen die twee seconde nadenkt, zal daar trouwens tegenstander van zijn. Maar dat wil wel niet zeggen dat ik kant kies. Ik ben even boos op de Palestijnen en op een aantal Arabische landen in de omgeving. Ze dragen allemaal schuld. Alle kampen in dat conflict moeten eindelijk de tweestatenoplossing aanvaarden.

CE: Nu we het toch over politiek hebben, gaat u stemmen in november?
Auster: Uiteraard en ik ga voor Obama stemmen.

CE: U bent dus niet een van de progressieven die teleurgesteld is in zijn presidentschap?
Auster: Nee, want ik wist van het begin dat Obama een eerder gematigde Democraat was waarmee ik het niet altijd eens was. De man heeft veel kwaliteiten, maar mijn opvattingen zijn vaak linkser en dat is de voorbije vier jaar ook gebleken in zijn beleid. Bovendien is de oppositie vanuit Republikeinse hoek heel die periode ook ongemeen scherp geweest. Het leek meer op irrationele haat. Als Obama vandaag beweert dat de lucht blauw is, dan geven de Republikeinen morgen een persconferentie waarop ze bij hoog en bij laag zullen beweren dat de lucht groen is. Dat klinkt grappig, maar het is een gegeven dat mijn land geen goed gedaan heeft.

CE: Maar toch straffen de keizers de Republikeinen daar niet voor af.
Auster: Dat klopt, maar dat heeft ook veel met ons kiessysteem te maken. Neem nu de manier waarop de senaat gekozen wordt. Elke staat krijgt twee senatoren. Daardoor krijg je de situatie waarin een Republikeins bolwerk als Wyoming met 500.000 inwoners evenveel afgevaardigden heeft als het Democratische Californië met 37 miljoen inwoners. Als je puur op het aantal stemmen zou afgaan, zouden de Democraten veel meer macht hebben in de Verenigde Staten. Dat gezegd ben ik er vast van overtuigd dat Obama het in november zal halen. Ik durf er zelfs geld op zetten.

CE: Dat is een gewaagde, maar positieve afsluiter. Bedankt voor het gesprek.