Katrijn Van Bouwel: "Bijzonder dat je je met wat zwarte streepjes op een wit blad zo kan verbinden met anderen"

Interview met Katrijn Van Bouwel: "Bijzonder dat je je met wat zwarte streepjes op een wit blad zo kan verbinden met anderen"

Als ze over haar liefde voor woorden praat, beginnen haar ogen te fonkelen. Katrijn Van Bouwel doorweeft al jaren haar dagen met taal: op Twitter, op het podium, al columns schrijvend, achter de schermen. Maar er was een plan dat borrelde in haar achterhoofd, een belofte die ze voor zichzelf moest inlossen. Haar eerste roman is nu een feit. 'De muze en het meisje' gaat over sterfelijkheid, ijdelheid en zelfontplooiing. In een bloemrijke taal, royaal over de pagina's heen gestrooid. Ook aan haar roodgestifte lippen en sappige stem ontsnappen mooie beelden en metaforen. En af en toe een typisch humoristische kwinkslag.

Dag Katrijn. Het is er eindelijk, jouw debuutroman en meisjesdroom. Proficiat! Wanneer is heeft zicht het concreet plan gevormd om een roman te schrijven?

 “Het is eigenlijk altijd al mijn plan geweest, alleen is het zo'n gênant plan. Het heeft iets aanmatigends en hoogmoedig. Ik had ook het gevoel dat veel mensen het meer verdienden dan mij omdat ze al kortverhalen schreven, voor een literair tijdschrift werkten of een blog bijhielden. Bovendien zijn er al zoveel goede schrijvers. Je wilt je niet het plompe meisje voelen dat Miss België wil worden. Maar tegelijkertijd zag ik het oude vriendenboekje van mijn zus terug waarin ik toen al als kind schreef dat ik later schrijfster wilde worden. Ik heb heel lang gezocht naar wat ik wou doen en verschillende soorten jobs uitgeoefend. En af en toe kwam dat oude plan om een boek te schrijven opnieuw bovendrijven maar ik klasseerde het telkens als: ooit, misschien. Tot ik weer ongelukkig was in job 3025 en dacht: misschien moet ik het maar gewoon doen. Geen excuses meer verzinnen, maar echt vrij nemen om mijn boek te schrijven.”

Je bent al langer een podiumbeest en mag jezelf nu ook schrijfster noemen. Maar je hebt ook lang achter de schermen gewerkt als copywriter, als comedycoach, als redactrice om anderen te laten 'shinen'. Hoe voelt het om nu zelf je plaats in te nemen?

“Het is dubbel. Ik was altijd diegene die op het podium stond, die de groepswerken presenteerde en die bezig was met comedy en improvisatie. Dus dat extraverte van je plaats innemen: ik had het gevoel dat ik dat altijd al deed. Ik wist gewoon niet of dat dat de plek was waar ik mij het meest thuis zou voelen. Ik merkte dat wanneer ik mezelf overwon en aan het schrijven sloeg, mijn gelukkigste momenten waren. Ik hou enorm van taal, ik word echt gelukkig van zinnen en woorden bedenken en die te delen. Voor een stuk is dat ook door Twitter gekomen, hoe oppervlakkig dat ook mag klinken. In het begin postte ik altijd mopjes, mensen vonden dat heel tof. Maar na een tijdje probeerde ik ook kleine zinnen uit. Ik dacht eerst dat mijn volgers dat aanstellerig, wannabe of semi-poëtisch zouden vinden. Maar uiteindelijk reageerden mensen daar heel goed op en had ik het gevoel dat die kant van mij er ook mocht zijn. Het is heel bijzonder dat anderen het gevoel hebben dat je iets omschrijft dat over hen gaat, dat ze zichzelf begrepen voelen en zichzelf misschien ook beter begrijpen door jouw woorden. Dat is voor mij de kracht van literatuur. Je voelt je niet meer alleen. En dat is het grote verschil met op een podium staan. Dan verstrooi ik mensen, haal ik ze even uit de realiteit om hen te doen lachen en hen een fijne avond te bezorgen. Maar ik heb het gevoel dat je met literatuur mensen op een veel dieper niveau kunt raken. Het feit dat iemand anders omschrijft hoe je je voelt, zelfs je diepste en donkerste gedachten, zorgt voor een gevoel van thuiskomen en zelfacceptatie. Ik vind het bijzonder dat je jezelf met gewoon wat zwarte streepjes op een wit blad zo kan verbinden met anderen. Ik vind dat bijna magie, ik denk dat ik daarom wil schrijven.”

In het programma 'God en Klein Pierke' zei zanger Arno over muziek: “Het gaat de wereld niet veranderen maar het legt er wel een zalfke op.” Geldt dat dan ook voor literatuur?

“Ja, dat denk ik wel. En ik geloof zelfs wel dat een ontmoeting met muziek of literatuur de wereld kan veranderen. Niet dé wereld maar jouw wereld. Ik ben als kind en als volwassene echt veranderd door bepaalde boeken te lezen. 'Een zalfke', zegt Arno, dat klinkt heel mooi. Maar het klinkt ook alsof de wereld hersteld moet worden en heel gruwelijk is. Ik weet niet of de wereld per se gruwelijk is. Ja, donker en uitzichtloos en intriest. Maar onze wereld is best nog wel aanvaardbaar. Al kan literatuur de wereld wel rijker maken of tenminste je blik erop veranderen.”

Je had het daarnet al over je tweets. In hoeverre was die afzondering om aan een roman te schrijven verzoenbaar met het sociaal gekwetter op Twitter?

“Het is een pharmacon zoals ze in het Grieks zeggen: een gif en een medicijn. Als ik alleen zit te schrijven, word ik heel snel melancholisch. Dan vind ik Twitter een welkome afleiding om te kwetteren over dingen die je bijvoorbeeld net op de tram meemaakte of over het werk met collega-schrijvers. Anderzijds is het wel enorm afleidend. Het is net hetzelfde als iemand die de hele tijd aan je bureaueiland staat te babbelen. Superleuk maar je kan wel niet echt doorwerken. Je hebt op Twitter zo snel contact met mensen dat de dag kan als zand door je vingers lopen als je je er mee bezig houdt. Dus ik moest het voor mezelf wel af en toe afsluiten, met bijvoorbeeld een internetblokker, om mentale rust te vinden om te schrijven.”

In je boek volg je de vier seizoenen. Zelf ben je geboren in de herfst. Past het seizoen van de kleurenpracht en melancholie bij jou?

“Vaak vragen mensen: is je boek autobiografisch? En dan antwoord ik nee. Want dat is het niet echt. Maar er is één zinnetje dat wel echt autobiografisch is. Op een bepaald moment zegt de vader van Mila over haar: 'Ze is zoals de herfst, heel kleurrijk maar ook wel heel vroeg donker'. En dat is echt hoe ik mezelf zie. Ik ben extravert, iemand die er toch een beetje uitspringt qua kledij, luid zijn en durven. Tegelijkertijd was ik als kindje al enorm droefgeestig en somber. Maar ik heb dat contrast wel nodig. De herfst is dus echt wel het seizoen waarin ik me het beste voel. Alles is intenser: de geuren, de kleuren, de smaken. Het is nog even opflakkeren voor de winter komt en alles sust en koud wordt. De herfst is een tijd vol cadeautjes. Je verwacht er eigenlijk niets meer van want de zomer is jammer genoeg voorbij en de winter komt eraan. Dus opeens is alles veel mooier en kan je opeens heel blij worden van een boom of van het zonnetje zelfs al is het koud. Het is alsof je naar huis moet op een fuif maar net spelen ze een mooi liedje en een jongen vraagt je om te dansen en opeens is het helemaal niet meer zo erg meer dat je naar huis moet. Ja, ik ben een enorm herfstmeisje.”

Je beschrijft in 'De muze en het meisje' heel mooi de vriendschap tussen Mila en Lisa. Hoe belangrijk is vriendschap voor jou?

“Ik denk dat vriendschap voor mij één van de allerbelangrijkste dingen is. Velen leggen de focus na het lezen van mijn roman bij de liefde. Maar waar het voor mij veel meer om gaat, is over de banden die je hebt met anderen en met jezelf, zoals ook de band met je vriendinnen en je zussen. Eén van de mooiste dingen die iemand tegen mij zei over het boek was: 'Ik heb zelf geen zusje maar ik heb het gevoel dat door jouw boek te lezen ik ongeveer weet hoe het zou zijn om er eentje te hebben.' In mijn vriendschappen probeer ik niet het zusje te zijn voor mijn vrienden en vriendinnen, maar daar schurkt het wel tegen aan. Ik vind zo'n onvoorwaardelijke banden iets heel schoon. Voor mij heeft vriendschap te maken met het evenwicht kunnen vinden tussen iemand bewonderen en bewonderd worden. Toestaan dat ook iemand jou bewondert. Ik heb geen enkele vriend of vriendin die ik niet in iets bewonder of waarvan ik niet iets iets kan leren. En waar je in een liefdesrelatie heel snel opgaat in 'de wereld van wij' zoals ik het in het boek noem, blijf je in een vriendschap nog steeds je compacte zelf. Ik geloof dat je geboren wordt als een doffe steen en met elke vriendschap veil je aan jezelf en maak je een ander facet. Zo kan je jezelf slijpen tot een schitterende diamant. En dat is soms door wrijving of mensen heel dicht te laten komen. Maar ik denk dat je dat moet proberen. In vriendschap moet je elkaar doen schitteren.”

Het boek gaat naast vriendschap ook over de liefde. En daar horen seksscènes bij. Die zijn in de meeste romans nogal tenenkrullend. Maar in jouw roman komen ze daarentegen heel natuurlijk over. Hoe moeilijk was het om die scènes te schrijven?

“Ik heb al zoveel moeilijke opdrachten gehad. Ik heb over onderwerpen moeten schrijven waarvoor ik drie weken nodig had om überhaupt te snappen wat de termen betekenden. Maar ik heb nog nooit zoiets moeilijk gedaan als schrijven over seks. Seksualiteit is zoiets rijk en tegelijkertijd zijn wij zo arm in daarover te praten en dat onder woorden te brengen. Dat is natuurlijk ook deel van het magische. Maar om dat dan te verwoorden, moeilijk. Geslachtsdelen benoemen alleen al. Wat zeg je: penis, pik, lid, lul, stijve, kloppende roede, fiere schwans? En je kunt het niet niet benoemen want dat is flauw. Als je over een passionele liefde schrijft, moet je ook over lichamelijkheid schrijven. Maar je weet niet welke associatie mensen hebben bij een woord. Woorden zijn knoppen die betekenissen en horizonten openen. Dat kan bij een woord als chocomel of herfst of autostrade. Als je het woord autostrade zegt, schieten er zoveel beelden door je hoofd. Bij woorden zoeken voor seksscènes is het dus ook een knop indrukken, gokken en hopen dat je juist zit.”

Je bent iemand die humor heel belangrijk vindt en graag met dingen lacht. Toch schrijf je in je boek met schaamteloze romantiek over de liefde en met een grote sérieux over de kwetsuren die die kan achterlaten. Terwijl velen juist lachen met liefdesverdriet of het wegzetten als 'overdreven' of 'een kalverliefde'.

“Ja, dat is een enorm bewuste keuze geweest. Ik vind dat er momenten zijn waarin humor geen plaats meer heeft. Dat zijn donkere periodes waarin je jezelf ook te serieus neemt. Er is niemand die zich serieuzer neemt dan iemand die kapot gaat van liefdesverdriet. En ik vind dat zo gemakkelijk en wreed om daarmee te lachen. Ik maak de vergelijking in het boek met een papiersnee. Ja, dat ziet er belachelijk uit maar dat kan wel heel veel pijn doen. Daarom is er ook niets erger dan iemand die met je lacht wanneer je nog volop rouwt, dat voelt dan als verraad. Er is een moment waarin alles rauwheid is. En daarna komt er een moment waarop je terug kan lachen. Dan is de genezing onherroepelijk ingezet. Ik vond dat ik het thema van liefdesverdriet, zeker bij iemand die nog jong is, serieus moest nemen. Ook in mijn taal ben ik heel metaforisch en hyperbolisch geweest, ik hoop dat een lezer dat herkent van toen die het zelf beleefde. Ik heb die humor er dus bewust uit gelaten. Alhoewel er in dat deel van het boek ook scènes zijn die ik persoonlijk wel grappig vind, iemand die snikt en pathetisch is, kan ook humoristisch zijn.”

Jouw eindwerk wijsbegeerte ging over 'lachen in het licht van de dood.' In hoeverre is dat jouw manier om in het leven te staan?

“Honderd procent. Het is een wonderlijke combinatie tussen escapisme en oprechte troost. Escapisme in die zin dat het je eventjes weghaalt. Maar de juiste humor brengt je ook terug tot de situatie waardoor je zachtjes kan rondkijken en denken: ja, het is allemaal maar om te lachen, het is wat het is. Door humor en schoonheid verbind je je met anderen en ik denk dat dat het enige antwoord is op het gevoel dat al je draden met het universum zijn doorgeknipt. Het is geen oplossing maar wel een zacht strelen.”

Een groot thema van het boek is sterfelijkheid. In hoeverre is een roman schrijven het dichtste dat je bij onsterfelijkheid kan komen dan?

“In de grote bezigheidstherapie van het leven merk ik hoe belangrijk dat boek voor mij is op existentieel niveau. En ja, mensen mogen daar mee lachen. Want een boek is maar een boek en de wereld zit niet op het mijne te wachten. Maar voor mij persoonlijk is het een vervulling van een levenswens. Het is een ader die altijd is blijven bloeden en die nu voor een stuk is dichtgeslibd. Dat gieren in mijn hoofd en die fluisterende wind van 'je moet dat nog doen' is gaan liggen en dat maakt me heel rustig. Het was ook maar een constructie in mijn hoofd om iets te kunnen zeggen in de illusie dat het iets uitmaakt terwijl het natuurlijk niets uitmaakt. Maar toch is het belangrijk voor mij en verzoent het mij voor een stuk met de eindigheid. Als er al geen God is die ons iets heeft beloofd, dan zijn wij de enigen die beloftes kunnen maken aan elkaar en aan onszelf. Ik heb eindelijk een belofte aan mezelf ingelost en dat is voor mij het dichtste dat ik bij onsterfelijkheid kan komen.”