Johan Braeckman. De kracht van verhalen

Interview met Johan Braeckman. De kracht van verhalen

De menselijke soort is verzot op verhalen. Van grotschilderingen tot kampvuurverhalen. Van de eerste troubadours tot de meest recente videogames. We vertellen ze, verspreiden ze en raken eraan verslaafd. Maar waarom? Wat is, evolutionair gezien, het nut van die verhalen? Op vraag van Confituur, de vereniging van onafhankelijke boekhandels, schreef Johan Braeckman er zijn essay ‘Er was eens’ over. De filosoof heeft over het thema echter veel meer te vertellen dan in het boekje paste, zo bleek uit één van zijn lezingen in een Confituurboekhandel. Hij maakte dan ook graag wat tijd vrij om erover in gesprek te gaan.

Laat ons maar meteen met de deur in huis vallen. Zijn verhalen levensnoodzakelijk?

Verhalen zijn uiteraard niet even noodzakelijk voor ons als zuurstof, voedsel of water. Je kunt ongetwijfeld wel leven zonder verhalen. Letterlijk levensnoodzakelijk zullen ze dus wel niet zijn. Maar verhalen helpen ons wel om te leven. Je leert er bijvoorbeeld uit hoe je je leven kan leiden, in het bijzonder in de omgang met andere mensen. Wij gaan niet dood door slechte ‘social skills’, maar het vergemakkelijkt je leven wel als je oog hebt voor subtiliteiten en nuances, als je emoties kan inschatten en als je weet hoe je je moet gedragen binnen een sociale context. 

Zorgen ze in zekere zin ook voor natuurlijke selectie?

Het zou best kunnen dat de beste verhalenvertellers over de generaties heen reproductief gezien zeer succesvol waren. Dichters waren vroeger vaak erg geliefd bij vrouwen. Nu wordt er geklaagd over het feit dat niemand nog poëziebundels koopt. Maar miljoenen mensen kennen nog steeds gedichten omdat er liedjes van gemaakt zijn. Rockzangers zoals Bob Dylan zijn ook verhalenvertellers. In de wereld van de rockmuziek is het verband tussen verhalen vertellen en voortplanting nog steeds duidelijk te zien. Denk maar aan al die fans en groupies. Het zou dus best kunnen dat het talent om verhalen te bedenken en te brengen wel een evolutionair voordeel heeft gehad.  

Maar dat zal niet de enige functie van verhalen zijn geweest.

Wij hebben het gros van onze evolutionaire geschiedenis in één en dezelfde groep doorgebracht. Wij maakten deel uit van rondtrekkende groepen. In die periode werd onze psychologie gevormd en dat heeft er ongetwijfeld ook voor gezorgd dat wij verhalenvertellers zijn. De vraag is dus wat het nut van verhalen is voor een groep van vijftig tot honderdvijftig mensen. Het antwoord is dan vrij logisch. Verhalen zorgen immers voor cohesie, voor identiteit, voor herkenning.  

Kunnen verhalen in dat opzicht niet gevaarlijk zijn?

Als je met vreemdelingen, mensen uit een andere groep, wordt geconfronteerd, merk je dat er andere verhalen in hun hoofd zitten. Ze zijn met andere woorden geïnfecteerd door andere verhalen. Als je besmet wordt met een verhaal dat je opdraagt om jezelf op te blazen, dan loopt het natuurlijk helemaal mis. Dat soort gedrag illustreert de kracht van verhalen. Als we de metafoor van de epidemiologie doortrekken, is het misschien niet slecht om daar andere verhalen tegenover te plaatsen die als vaccin kunnen dienen.  

We enten ons in, we wapenen ons en we leren overleven aan de hand van verhalen. Het zijn leveranciers van ‘survival skills’, stelt u in het essay.

Wat opvalt is dat mensen vaak, na het lezen van een boek of het zien van een film, opmerken dat ze een paar dagen later al niet meer weten hoe het verhaal precies in elkaar zat. Je onthoudt de grote lijnen wel, maar als je erover nadenkt, kom je eigenlijk niet verder dan een paar zinnen. Die kennis raak je snel kwijt. Dat heeft niet met een slecht geheugen of met dementie te maken, het heeft te maken met de manier waarop verhalen opgeslagen worden. Ze komen terecht in ons impliciete geheugen. De kennis die we daar opslaan hebben we nog wel, maar in zekere zin zijn we dat vergeten. Het is net als autorijden. Als we alle handelingen die daarbij te pas komen in ons bewustzijn zouden moeten overlopen, wordt dat een verschrikkelijk complex proces.

Gelooft u dat de wetenschap er op een dag in zal slagen om die impliciete kennis in kaart te brengen?

Dat is een taak voor de psychologie en voor de cognitieve neurowetenschap, maar ik denk wel dat we dat ooit zullen doorgronden. Ik vermoed dat het slechts een kwestie van tijd is voor men met onder meer fMRI-scans een gedetailleerder beeld krijgt van hoe het geheugen werkt. Op dit moment is men volop bezig met de verschillende vormen van geheugen in kaart te brengen. Wij weten bijvoorbeeld al hoe het geheugen van een zeeslak werkt. Dat is al iets. En eigenlijk werken onze hersencellen niet zo fundamenteel anders dan die van een zeeslak.  

Zal de literatuurwetenschap daar baat bij hebben?

Dat weet ik zo niet meteen.

En de lezer?

Ook niet noodzakelijk. Kijk, om te kunnen autorijden moet je niet weten hoe je impliciete geheugen werkt. Een pianist moet een stuk dat hij instudeert in zijn vingers krijgen, maar daartoe moet hij de namen van de spiertjes in zijn handen niet kennen.

Hoe bent u op het idee gekomen om verhalen vanuit een Darwinistische invalshoek te benaderen?

Ik heb geprobeerd om verschillende ideeën die vandaag de dag in verschillende disciplines circuleren samen te vatten op een bevattelijke manier. Er is daar weinig origineels in van mij.

In het essay lazen wij een pleidooi voor een nauwere samenwerking tussen verschillende disciplines.

Wetenschap biedt ook een soort verhaal. Dat doet echter geen afbreuk aan de kenniswaarde ervan. Zo is wetenschap beter dan mythologie om bijvoorbeeld te verklaren hoe de kosmos is ontstaan of waar wij als mensen vandaan komen. Maar ze heeft ook een verhalende kern. De bigbangtheorie is een fantastisch verhaal. Ook Stephen Hawking, Einstein en Darwin zijn verhalenvertellers. Alleen vertellen zij verhalen die met een redelijke waarschijnlijkheid aansluiten bij hoe de realiteit in elkaar steekt. Dat is dus iets anders dan datgene wat wij, niet toevallig, fictie noemen.  

Fictie versus non-fictie?

Veel mensen die houden van fictie maken daar een vrij strikt onderscheid tussen. Zo heb je mensen die beweren dat je romans moet lezen als je de dingen écht wil verstaan. Ik vind dat een beetje een dwaze opmerking. Natuurlijk kunnen romans mij helpen om de dingen op een bepaald niveau subtieler of genuanceerder te begrijpen. Om een voorbeeld te geven: een tijdje geleden las ik ‘We need to talk about Kevin’ van Lionel Shriver, een roman over een kind dat moreel ontspoort en op vrij jonge leeftijd al daden stelt die volstrekt immoreel zijn. Als je wil begrijpen hoe het kan dat een tiener daartoe in staat is of als je als ouder, familielid of leerkracht wil begrijpen hoe je met een crimineel kind moet omgaan, biedt zo’n roman een fantastische ‘case study’. Een geromantiseerde, gefictionaliseerde case study. Maar tegelijkertijd leer ik ook heel veel van psychologische of criminologische studies over pakweg deviant gedrag. En het één staat niet tegenover het ander.

Wetenschap en verhalen gaan dus hand in hand.

Afhankelijk van je vraagstelling. Als ik wil weten waar de mens vandaan komt, is de mythologie niet complementair aan de wetenschap. In deze context biedt de mythologie ons alleen maar fabeltjes. Maar, zoals eerder aangehaald, die leveren natuurlijk impliciete kennis op.        

De meeste verhalen die verteld worden bevatten een gruwelijk element. Uit uw essay leren we dat oudere kinderverhaaltjes, als ze worden voorgelezen, meer dan 50 gewelddaden per uur bevatten. Zit die horror ingebakken in onze soort?

Ik denk dat het niet toevallig is dat verhalen voor kinderen, waaronder ook sprookjes, nogal gruwelijk zijn. Sprookjes gaan over dingen die we niet in het echte leven willen meemaken. Fictie dient dus om ons te wapenen tegen het echte leven. We lezen boeken over seriemoordenaars, we kijken naar gewelddadige films, we spelen computergames die vaak vrij agressief zijn. Dat doen we omdat we die zaken net niet in het echt willen beleven.

Games zijn ook verhalen?

Natuurlijk. Het zijn de verhalen van vandaag en misschien zelfs de verhalen van de toekomst. Vele verhalen zijn bedacht of geschreven door één persoon. Achter films, series en games zit een hele ploeg en dat heeft een enorme meerwaarde. Mensen die boeken lezen kijken vaak neer op films en op andere kunstvormen. Dat begrijp ik niet zo goed. Let wel, ik ben een verwoed lezer.  

Ook een verwoed gamer?

Nee, dat niet. Ik heb het wel gedaan, maar ik heb het nooit in de vingers gekregen. Toen ik in de jaren negentig aan mijn doctoraat werkte, had ik me afgezonderd op een plek in de Hoge Venen waar geen televisie en geen internetaansluiting was. Iemand had toen de allereerste versie van ‘Doom’ op mijn pc gezet en dat heb ik toen wel veel gespeeld. Ik deed dat heel graag. Ik heb het volste respect voor deze kunstvorm omdat ik denk dat games bijzonder knap kunnen zijn. Het zijn artistieke totaalprojecten. Bovendien speel je als gamer ook zelf een rol in het verhaal. De identificatie is daarom nog groter waardoor ook de impliciete kennisoverdracht zal toenemen.

Daarnaast neemt u het ook op voor wat Virginia Woolf als lowbrow bestempeld zou hebben. De literatuurwetenschap zou haar neus niet mogen ophalen voor pakweg Dan Brown, Stieg Larsson of J.K. Rowling.

Dat soort schrijvers blijft inderdaad een blinde vlek voor de academische wereld. Uiteraard is het belangrijk om Goethe, Joyce en Dotosjevski te bestuderen, maar je mist als academicus iets fundamenteels als je geen oog hebt voor die andere schrijvers. De verhalen over Harry Potter bereiken miljoenen jongeren. Men klaagt vaak over het feit dat de jeugd niet meer leest, maar dat is nonsens. De jeugd leest meer dan ooit.

Is dat een kritiek op uw collega’s van de vakgroep literatuurwetenschap?

Niet die van Gent specifiek, hoor, maar het is wel opmerkelijk dat literatuurwetenschappers doorgaans meer oog hebben voor de producten dan voor de consumenten ervan. Wat mij interesseert, dat is net die consument, de mens die hunkert naar verhalen. Als dat je invalshoek is, dan vervaagt het onderscheid tussen James Joyce en J.K. Rowling. Ik zie mensen die verslaafd raken aan verhalen en ik zie verhalen die een wereldwijd publiek bereiken en ik denk dat literatuurwetenschappers dat zouden moeten bestuderen. In die zin bevat mijn essay de voorzet om studies te wijden aan de kenmerken van verhalen vanuit de hypothese dat ze dienen om onze social en survival skills aan te scherpen.   

Heeft u zelf plannen om die voorzet verder uit te werken?

Ik moet voorrang geven aan een paar andere zaken die ik zou moeten uitschrijven, maar het onderwerp heeft mij wel te pakken en het begint ook internationaal aan te slaan. Er hangt iets in de lucht en dat zal ik wel trachten te volgen.

Voorlopig nog geen ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’. Dit verhaal is nog lang niet uitverteld. Hartelijk bedankt voor dit gesprek.