Interview met Ever Meulen

Interview met Interview met Ever Meulen

Wie goed naar bovenstaande prent kijkt, herkent misschien de legendarische muzikanten uit de jaren zeventig. Lou Reed, Keith Richards van de Rolling Stones, Sly van zijn Family Stone en John Lennon. De prent zelf is van Ever Meulen: de tekenaar die in 1970 aan de slag ging bij Humo, mee de huisstijl van het blad bepaalde en ondertussen - letterlijk - wereldberoemd werd met unieke prenten vol rock'n'roll, auto's en schoon madammen.
Nog tot 12 december kan je een kleine maar indrukwekkende selectie uit zijn werk bekijken in de Brusselse Galerij Champaka. Speciaal voor deze tentoonstelling ontwierp Ever Meulen zelfs een eigen auto: de Nisiov. Wij spraken met de man, over Humo, muziek maar eerst en vooral over waar het hier om draait: de auto.

Cutting Edge: Was het uw idee om een expo rond auto's te maken, of werd het u zo gevraagd?

Ever Meulen: Wel, ik ben altijd al zot geweest van auto's. Dat is een echte jeugdliefde. Bovendien wilde ik, als liefhebber, eens reageren tegen al de vijandigheid waarmee de auto tegenwoordig benaderd wordt. Iedereen is er tegen: dat stinkt, ze vervuilen, nemen te veel plaats in de stad in, ze zijn lelijk. Dat soort vijandigheid kom je tegenwoordig overal tegen, ook vanuit de politiek. De minister van mobiliteit is een minister van obstructie geworden. Ze doen er alles aan opdat je zo weinig mogelijk zou kunnen rijden. Daar wilde ik dus tegen reageren.
Let op, ik doe dat wel op een nostalgische manier. Ik hou vooral van oude auto's.

CE: In uw tekeningen zie je ook voornamelijk Amerikaanse classics. Van die lange, indrukwekkende sleeën.

EM: Inderdaad, dat is mijn grote liefde, al van in mijn jeugd. Ik ben van de streek van Kortrijk - de vlasstreek. De mannen daar leefden van het oogst van het vlas. Soms was het een goede zomer en kochten ze van hun geld een heel mooie auto. Soms was het een slechte zomer en moesten ze die auto weer inruilen. Daar werd veel met Amerikaanse auto's gereden, oude maar ook nieuwe. Daar heb ik het beeld opgedaan dat mij altijd is bijgebleven. Het beeld van die prachtige auto's.
Ik heb die ook altijd getekend, gewoonweg omdat ik dat als kind al altijd graag gedaan heb.

CE: Het is u dus eigenlijk ook voor het esthetische te doen?

EM: Ja, zeker en vast om de esthetiek. Om de vorm. Ik zie wat er goed uitziet. Ik teken alleen maar mooie dingen hé. Ik zoek mijn favoriete auto's uit en die zet ik dan op papier. Of ik gebruik ze in illustraties.

CE: Voor deze expo heeft u zelfs een eigen auto ontworpen.

EM: Inderdaad. Mijn oorspronkelijke idee was om iets in de ruimte te doen. Ik teken nu al veertig jaar op papier en kreeg plots zin om iets te maken. Zelf iets creëren zoals de maquette van de auto die je hier op de tentoonstelling kan zien. Dat is echt sculptuur hé, echt driedimensionaal. Wanner je daar mee bezig bent, wordt je met nieuwe problemen geconfronteerd: werkt dat wel, klopt dat? Want je kan misschien wel tekenen maar een derde dimensie is nog iets anders.
Wel heb ik eerst geschetst en ontwerpen gemaakt, dan pas kwamen maquettes. Daarna heb ik rond die maquettes nog een aantal tekeningen gemaakt om het allemaal goed uit te leggen.
Mijn auto is helemaal asymmetrisch: twee grote wielen, twee kleine en een asymmetrisch chassis. De vorm van de auto is hier natuurlijk het resultaat van. Maar ook de motor is, met 13 cilinders, asymetrisch: 7 grote voor de power en 6 kleinere voor de torque. Ik heb er allemaal van die technische snufjes bijgefantaseerd. De kleine wieltjes zijn bijvoorbeeld de aandrijfwielen. Omdat die klein zijn kan de auto sneller starten en accelereren. Zoals een Mini: die snel kan optrekken.

CE: Zou hij echt kunnen rijden?

EM: Natuurlijk zou die echt kunnen rijden. Als je de auto zou maken, zou dat kunnen. Maar eigenlijk heeft dat geen zin, omdat er geen behoefte aan is. Het is fantasie, hé. Waarom met zoiets rijden, waarom niet met een Golf die veel comfortabeler is.

CE: Het zou er mooier uitzien.

EM: Het zou mooier zijn. Ja, dat is inderdaad het punt. Het zou esthetisch wel iets zijn, om daarmee op de markt te komen.

CE: Dit auto-ontwerp heeft u niet in opdracht gemaakt?

EM: Dit is echt iets voor mezelf. Ik heb tijd moeten maken om deze tentoonstelling te bouwen. Om de tekeningen te maken, het ontwerp op papier te zetten. Het zat allemaal wel in mijn hoofd maar het was allemaal niet zo duidelijk.

CE: Voelt u zich nu meer kunstenaar, nu u niet in opdracht heeft gewerkt?

EM: (lacht) Nee, het is nu echt occasioneel dat ik zin had om voor mezelf te tekenen. Mijn tekeningen zijn nu hier en iemand kan ze kopen, maar ik voel me nu niet ineens kunstenaar. Ik heb ook nooit het kunstenaarsschap geambieerd. Ik heb kunststudies gedaan maar heb dan gekozen voor een carrière als tekenaar. Ik heb nooit schilder willen worden.
Deze tentoonstelling maken is plezierig geweest maar ik zou nu niet beweren dat ik kunstenaar ben geworden.

CE: Als tekenaar bent u bij Humo begonnen.

EM: Inderdaad. In 1969 ben ik afgestudeerd en ben dan meteen bij het leger gegaan. Daar heb ik dan een jaar verloren. In 1970 ben ik eerder toevallig bij Humo terecht gekomen. Een vriend van me zei me: 'Je moet eens met je tekeningen naar Humo gaan. Daar is nu een nieuwe hoofdredacteur...

CE: Dat was Guy Mortier?

EM: Inderdaad. Die is denk ik in '69 toegekomen, en ik in '70. Maar hij had hij zich toen al omringd met een paar nieuwe redacteurs, zoals Herman De Coninck en Piet Piryns. Marc Didden is er dan een paar jaar later bijgekomen, in '72 of '73, voor de popmuziek. Dat was een hele nieuwe, jonge bende en Guy Mortier was de opperchef, de oppersnor. Het was een heel creatieve periode, echt fantastisch, vooral als jonge tekenaar. Humo werd toen ook populair. Onder de vleugels van Guy begon het plots te swingen. Het werd een leuk blad, vooral voor jonge mensen.

CE: Had u daar veel vrijheid. Kon u doen wat u wilde?

EM: Ik had zeer veel vrijheid. Ik was dan ook de enige tekenaar, hoewel ik niet vast in dienst was. Ik was freelancer.
Maar goed, in 1970 ben ik dan naar Mortier gegaan om mijn tekeningen te laten zien en blijkbaar dacht hij: oei, die jongen kan precies wel tekenen! En zo is het dan begonnen, met een illustratie bij een artikel. Later kwamen de tekeningen bij de poppagina's erbij - de TTT-pagina's - en posters of covers. Ik heb veel covers gemaakt.
Nu maak ik die veel minder. Blijkbaar zijn mijn ontwerpen minder commercieel als al die bekende vedetten - die verkopen beter. De tekeningen zijn moeten wijken voor de commerciële belangen van het blad zelf. Jammer genoeg. Er is natuurlijk ook veel veranderd in de wereld.
De komst van VTM bijvoorbeeld veranderde iets bij Humo. Opeens werden ze geconfronteerd met wat het volk het liefste ziet. Vroeger stond Panorama op 1 in de top 10 van beste programma's. En nu is dat... Maar ach, dankzij Humo heb ik eigenlijk ontzettend veel kunnen tekenen. Meer nog, ik heb kunnen tekenen wat ik zelf wou. Hoewel ik altijd opdrachten kreeg, heb ik altijd mijn ideeën naar voor kunnen brengen.

CE: Uw tekenstijl paste bij die swingende Humo van Guy Mortier?

EM: Ik denk het wel. Ik tekende toen ook al auto's en dat soort spectaculaire, futuristische bouwwerken. (Wijst naar een tekening van David Bowie, met een indrukwekkende gitaar in de vorm van een vliegtuig/ruimtetuig) Kijk naar de gitaar die Bowie vastheeft, die heb ik zelf ontwerpen. Nu is dat misschien déjà-vu, maar in de tijd was dat nogal spectaculair. En David Bowie, ik weet niet of je die muziek nog kent? Dat was in de tijd van Ziggy Stardust, in de periode dat hij zich verkleedde in van die spacy toestanden. Die ambiance wilde ik daar in beeld brengen.
Muziek is altijd een inspiratiebron geweest. Ook dankzij Humo, omdat daar nogal veel aandacht aan besteed werd.

CE: Uw unieke stijl heeft u zelfs in New York gebracht. In de jaren tachtig had u daar al een tentoonstelling.

ME: Dat is waar. Eigenlijk was er altijd wel belangstelling voor mijn werk. Vanuit Amerika, maar ook vanuit Japan bijvoorbeeld. Ik wordt dan gevraagd om daar iets te doen en dan ga ik ervoor.
In New York was dat een overzicht van al mijn affiches. Daar heb ik heb ook Art Spiegelman leren kennen. (Spiegelman is een goeroe van de 'moderne strip'. Zijn 'Maus' wordt gezien als een van de eerste en beste graphic novels, nvdr.) Die is mij zelf komen opzoeken, hier in België in 1978.
Het was toen de tijd van de heropstanding van het stripverhaal. De oude manier van strips tekenen - van Hergé en Franquin - was toen een beetje voorbij. Er ontstond toen een nieuwe hausse, vooral van uit Parijs. Een nieuw soort stripverhaal: de new wave zogezegd. Spiegelman was daar heel erg in geïnteresseerd en daarvoor kwam hij naar Europa. Hij is ook in Holland geweest, om Joost Swarte te zoeken. En hij is bij mij in Brussel langs gekomen. Waarschijnlijk omdat hij toevallig een tekening had gezien.

CE: Als je naar uw tekeningen kijkt merk je een zekere interesse in Amerika?

EM: Er was zeker een interesse in Amerika. In de glamour van California, de jaren vijftig, de palmbomen, de tequilla-sunrise-zonsondergang. De auto's natuurlijk. En de rock'n'roll paste daar goed bij. De westcoast muziek van die tijd. Dat was voor de punk hé: we spreken nog van begin jaren zeventig. Dat inspireerde mij allemaal. Ik heb daar iets mee gedaan.
Mijn werk was misschien exotischer voor de Europeanen als voor de Amerikanen. Ik tekende nu eenmaal Amerikaanse auto's. Dat was hier exotisch, een beetje paradijselijk. Een beetje Californië dus.

CE: Vermoedelijk komt het echte Amerika ook niet overeen met uw tekeningen?

EM: Nee, nee. Zeker nu niet meer. Ik idealiseer natuurlijk. Dat is wel duidelijk. Ik zoek naar het vormelijke in de dingen. Wat qua proporties en zo aantrekkelijk wordt. Ik ben een estheet, geen geëngageerde kunstenaar die tekent vanuit woede of van uit politiek engagement.

CE: Zelf heeft u geen strips gemaakt?

EM: Ik heb wel ooit een pagina of vier gemaakt, als kort verhaal. Maar geen albums.

CE: Geen interesse?

EM: Het is te zeggen: ik had veel werk als tekenaar. En ik vond ook dat ik als tekenaar redelijk mijzelf kon zijn. Ik kon alles brengen zoals ik het wou en kon de thema's naar mijn hand zetten. Ik maakte tekeningen waar ik content van was.
Voor strips moet je ook dialogen gaan verzinnen, en daar was ik al minder goed in. Ik ben echt wel een tekenaar hé. Ik heb dan ook eens gedacht dat met iemand anders te doen, een scenarist. Maar eigenlijk had ik daar geen tijd voor.

CE: Strips maken vergt natuurlijk heel veel tijd.

EM: Zelfs mensen als François Schuiten, die knappe gedetailleerde tekeningen maakt, hebben stripverhalen gemaakt, maar dat is economisch niet meer haalbaar. Je steekt daar enorm veel tijd in, maar veel kan je er niet aan verdienen. Nu ja, dat is in mijn geval ook zo. Ik heb altijd wel geld gekregen van die opdrachten maar ik ben niet rijk geworden. Maar goed, ik heb er altijd van kunnen leven en nog op een aangename manier ook.
Mijn werk is gelukkig nog altijd bij mij. De enige rijkdom die ik heb, is wat ik gemaakt heb. Nu kan ik dat al eens aanbieden, zoals hier op de tentoonstelling en zien of daar mensen in geïnteresseerd zijn.

Interview: Tom Stessens