Interview Adam Foulds

Interview met Interview Adam Foulds

Wanneer ik op de boemeltrein van Clapham Junction naar Forrest Hill toevallig naar buiten kijk, zie ik in een flits een vos op een talud naast de spoorberm. Trots, met zijn kin omhoog, overschouwt het dier de voorbijrazende trein. Het is de eerste keer dat ik een vos in het wild zie, overdag dan nog en zijn onverschrokken aanwezigheid schokt me; alsof hij me iets wil vertellen, alsof zijn bestaan een voorteken is van onze nakende ondergang. Op een dag is deze wereld weer van mij.

De rit was al niet voorspoedig verlopen. Als ik opstap in Clapham Junction, een voorstadje van London dat volgestouwd zit met yuppies uit de City, heerst er al een zekere rumoerigheid. Achter me zit een man luid te praten en blijkbaar is de conversatie eenrichtingsverkeer want voor ik het goed en wel besef, ploft hij tegenover mij in de zetel en steekt een dolgedraaide tirade af over Wimbledon, zijn rapcarrière die dra hoge toppen zou scheren, de rellen in Londen en hoe hij als slachtoffer van politiebrutaliteit een audiëntie bij de konigin had gekregen. Een gek, een junkie, of beide. Ik houd mijn blik strak op het schermpje van mij gsm gericht, vermijd oogcontact.

Bij de volgende halte verspringt hij weer van zetel maar daar vangt hij meteen bot. Een gezette man, type Onslow uit ‘Keeping up appearances’, brult hem toe dat hij moet zwijgen. Nog een eerste keer: scheldwoorden in de anders zo beschaafde publieke ruimte van groot Londen. De man negeert tergend de waarschuwing, ratelt ongebreideld door over vrije menigsuiting tot de gezette man uit zijn sporttas een gigantische Engelse moersleutel tevoorschijn tovert en die dreigend onder de neus van de rapper in spe steekt. Zelden een man zo kwiek een trein zien verlaten.

Pas in het kader van mijn nakende interview krijgen beide incidenten een nieuwe betekenis. Adam Foulds schreef met ‘De dwaaltuin’ een dunne poëtische roman over de toevallige ontmoeting tussen de schizofrene plattelandsdichter John Clare en zijn urbane tegenhanger Alfred Tennyson. Hun wegen kruisen in de instelling waar Clare en Tennysons broer verblijven en die gerund wordt door de megalomane dokter Allen. Afgesneden van de stad, omringd door een uitgestrekt woud dat steeds dichter lijkt te komen, raken alle protagonisten gevangen in een beklemmend web. Over hoe wankel onze ratio is, over hoe de natuur net achter het muurtje woekert.

Adam Foulds komt me netjes oppikken aan Forest Hill. Ik vertel hem niks over de vos en de boeman. Hij stelt voor iets te gaan eten, kent een leuk vegetarisch restaurantje in de buurt. Het eethuisje ligt te midden van straatwerken en eenmaal binnen stelt zich meteen een probleem: het jakkerende geluid van pneumatische hamers doet het ganse restaurant daveren – we moeten elkaar beleefdheidsfrases toeroepen. Foulds haalt de eigenares erbij, we zullen niet kunnen blijven vanwege het lawaai. Ze glimlacht, zegt dat ze misschien een oplossing heeft. We bestuderen de plastic menukaart terwijl het bestek tegen de wijnglazen aanrinkelt. Even later is het als bij wonder plots oorverdovend stil. De eigenares neemt onze orders op, merkt onze verbazing: 'I gave them some free coffee and brownies, told them to shut up for half an hour.'

CE: Hoe bent u op het idee gekomen om over die voetnoot in de Engelse literatuur een roman te schrijven?
Foulds:
Tijdens mijn bachelor-jaren aan de universiteit had ik over hun ontmoeting gelezen in Epping Forest, een plek die ik heel goed kende: ik ben er opgegroeid. Als een jongeling, bezeten van poëzie, was het aangenaam te ontdekken dat deze twee grote dichters praktisch in mijn achtertuin hadden rondgelopen. Hoe meer ik erover las, hoe meer thema’s zich aanboden.
De jaren 1840 was een interessant tijdgewricht, één van ommekeer. Politiek eindigde het Regentschap en brak de Victoriaanse periode aan. Op literair vlak nam proza een dominante positie in tegenover de poëzie. De industriële revolutie begon echt merkbaar te worden; voor het eerst was er een duidelijke impact op de natuur, één die John Clare perfect aanvoelde en waartegen hij vergeefs protesteerde. De lokatie van een woud was ook dankbaar: het bos geldt in de literatuur vaak als een labyrint waarin je verloren loopt, jezelf verliest. Het woud wordt vaak geassocieerd met waanzin, bij Chaucer betekent 'wood' ook 'gek'. Volgens sommige bronnen zou ‘Midsummer night’s dream’ ook voor het eerst in Epping Forest zijn opgevoerd. Neem daarbij nog de historische figuur van dokter Matthew Allen die net daar een psychiatrische instelling runt en ook nog eens het revolutionaire plan heeft om een mechanische houtbewerkingsmachine te bouwen, en je hebt een prachtige setting voor een roman.

CE: Dokter Allen is duidelijk de hoofdfiguur, de dichters komen maar zijdelings in beeld.
Foulds:
Het was ook een bijzonder opmerkelijk man, met een dubieus en strafrechtelijk verleden, die verschillende carrière-wendingen aan elkaar breide. Hij was een authoriteit op gebied van frenologie, doctor in de chemie en belichaamde als het ware de nieuwe tijdsgeest. Eén van de hoogtepunten in zijn loopbaan zal toch de oprichting van zijn eigen psychiatrische instelling zijn, High Beach Asylum.

CE: Hij kwam me zelf over als manisch-depressief.
Foulds:
Zijn ambitie overtrof vaak zijn kunde. Voor ons mag de bizarre houtbewerkingsmachine overkomen als een gril van een gekke geleerde maar in die tijd werden vergelijkbare, en helaas voor hem ook succesvollere machines gebouwd. Zijn vroegere bankroeten wierpen toch een smet op zijn reputatie en daar wilde hij koste wat kost van af.

CE: Aan de overkant van het Kanaal is John Clare geen bekende naam.
Foulds:
Hij werd recentelijk herontdekt door de groene beweging. Ik heb hem leren kennen via Seamus Heany die zijn werk herwaardeerde in een aantal lezingen aan mijn universiteit. Daarvoor werd Clare wat misprijzend bekeken; zijn werk werd als naïef en ruw bestempeld terwijl hij eigenlijk een zeer belezen man was. In zijn latere periode herschreef hij Byron naar zijn eigen hand. Zijn gedichten zijn vaak een ode aan het landschap, zonder dat het pastoraal wordt. Clare maakte lange natuurwandelingen waarbij hij zijn verzen luidop zong. Die methode werkt transparantie in de hand: hij absorbeert de omgeving en transponeert die onmiddelijk in woorden, wat de lectuur van zijn werk een heel zintuiglijke ervaring maakt. Hij voelde zich een fysiek slachtoffer van de Inclosure Act waarbij het vrije land werd toegekend aan landeigenaars en werd opgedeeld in grote rechthoekige velden. Zijn leefwereld was vroeger opgebouwd uit concentrische cirkels: dorpsplein, akkers en Common Land waar hij vaak in ronddwaalde. Hij was geshockeerd toen hij voor het eerst landmeters zag en afsluitingen werden opgericht.

CE: Er wordt inderdaad nogal wat afgewandeld in het boek. Alleen Tennyson lijkt passief, in zijn scenes zit hij vaak in een zetel te dromen.
Foulds:
Tennyson zat op dat moment in een rouwperiode. Zijn schoonbroer in spe en jeugdvriend Arthur Hallam was net overleden aan een hersenbloeding. Tennyson zit in die periode te broeden op wat uiteindelijk zijn meesterwerk zal worden: ‘In memoriam A.H.H’. wat later het favoriete boek van Konigin Victoria zal worden.

CE: Clare is samen met D.H. Lawrence dé dichter van de tegenwoordige tijd, terwijl bij Tennyson alles rond het verleden draait, rond stilstand en verlies. Tennyson was zich ook heel bewust van zijn genetische aanleg voor depressie en waanzin, hij praat zonder ironie over ‘the black blood of the Tennysons’.
Foulds:
Ook het fysieke verschil tussen beide dichters is frappant: Clare had perfecte ogen, Tennyson was verschrikkelijk myoop. Eén van zijn vrienden schreef ooit dat als Tennyson iets bekeek, je de indruk kreeg dat hij eraan wilde ruiken. In zijn gedichten hangt altijd een dichte mist, de eeuwigheid is maar een paar meter van hem verwijderd. Het zou voor hem onmogelijk geweest zijn om als Clare een wijds landschap te beschrijven.

CE: U slaagt er bijzonder goed in om de patiënte Margaret te beschrijven, haar religieuze waanzin is haast tastbaar.
Foulds:
Ik heb genoten van haar schepping. In haar hallucinaties schuilt een bevreemdende poëzie die je ook terugvindt in het werk van Hildegard von Bingen en Simone Weil.

CE: Uw boek staat ook vol verdoken verwijzingen naar de Engelse literatuur.
Foulds:
So you noticed? Dat was een bewuste keuze. Je kan geen roman over dichters schrijven zonder de Engelse literatuur erbij te betrekken. Veel scènes zijn inderdaad geënt op andere literaire passages. De lijstjes van ‘Robinson Crusoë’ liggen voor de hand, maar ik heb ook elementen overgenomen uit ‘Pilgrim’s progresss’ van de christelijke predikant John Bunyan. Het boek moest ook een labyrint van tekstflarden worden, zonder dat ik er een postmodern spelletje van wou maken; het interesseert me niet of de lezers de verwijzingen herkennen.

CE: Hoe lang duurde het schrijfproces?
Foulds:
Anderhalf jaar. Het idee zat al lang in mijn hoofd, sinds mijn universiteitsjaren. Eens ik alle researchmateriaal verzameld had, ben ik er gewoon aan begonnen. Aangezien er een duidelijke historische en ruimtelijke setting voorhanden was, hoefde ik enkel de gaten op te vullen met zinnen en personages.

CE: Uw zinnen beschikken over een enorme poëtische slagkracht.
Foulds:
Ook dat was een bewust streefdoel, opnieuw omdat het boek zich afspeelt in dichterskringen kon ik me geen krakkemikkige zinnen veroorloven. Inherent aan die poëtische stijl is een zekere vaagheid, ze laat veel vrijheid aan de lezer die tussen de regels zelf een plot kan ontdekken.

CE: ‘De dwaaltuin’ was genomineerd voor de Booker Prize. Heeft dat uw wereld veranderd?
Foulds:
Ja, in meerdere opzichten. Mijn werk brak door bij het brede publiek en daardoor beschik ik nu over financiële vrijheid die helaas constant gefnuikt wordt door allerlei verplichtingen, zoals praten met journalisten. (grijnst kwajongensachtig)
Ik moet nog leren ‘neen’ zeggen, ook al krijg ik veel aantrekkelijke opdrachten die me vroeger nooit zouden zijn aangeboden. Daar zitten leuke dingen tussen. Zo mag ik het voorwoord schrijven bij een heruitgave van ‘De Toverberg’ van Thomas Mann.

CE: Nog meer mist en bomen. Daar komen de pneumatische hamers weer. Bedankt voor het interview.

Interview: Roderik Six
Foto: Richard Saker©