Geert De Weyer

Interview met Geert De Weyer

Wat gebeurt er als je met een stripjournalist – Geert De Weyer – praat over zijn nieuwe boek – 'België gestript', waarin de volledige Belgische stripgeschiedenis passeert. Wel, dan vertelt hij je over hoe het er aan toe ging en gaat. Onverbloemd spreekt hij over de verbazend harde wereld achter het Belgische beeldverhaal.


Cutting Edge: Om bij het begin te beginnen. Waarom heb je dit boek gemaakt en hoe ben je te werk gegaan?

Geert De Weyer: Het is allemaal begonnen in 2005. Toen heeft Lannoo mij gevraagd een klein boekje te maken over de Belgische strip. Dat jaar bracht de uitgeverij een aantal van dat soort boekjes uit, naar aanleiding van de 175ste verjaardag van het België. Eentje over de politiek, een ander over de geschiedenis... Het mijne moest over de strip in België gaan.

Toen Lannoo merkte dat mijn boekje het derde best verkochte deel van de reeks was – net vooraf gegaan door het Belgische moppenboek (lacht) - besloten ze er een groter boek van te maken. Uiteindelijk moest Lannoo dit plan wegens interne redenen opgeven. Ze hebben het idee toen afgestaan aan Ballon Media. Dat is nu ongeveer vijf jaar geleden.

Ik had gemerkt dat België eigenlijk twee stripculturen kent: de Waalse – de Franstalige – en de Vlaamse. Dat lijkt misschien logisch, maar toen ik de literatuur er op nasloeg, merkte ik het tegendeel. Zo goed als elk boek over de Belgische strip ging enkel over de Waalse variant. Vlaanderen wordt amper vermeld. Uiteindelijk mag dat niet verrassen – aangezien de meeste boeken door Waalse journalisten geschreven zijn. Die kennen ten eerste niets over de Vlaamse strip, het is ook geweten dat de Franstalige stripwereld met een zekere dédain naar de Vlaamse kijkt.

CE: Is dat zo? Spreken wie hier niet over een onbekend is onbemind-voorbeeld. Kunnen we de Franstaligen verwijten dat ze Jef Nys amper kennen als zijn strips amper in het Frans vertaald zijn?

GDW: De Belgische stripcultuur mag de Franstaligen wel degelijk verwijten dat ze Vlaanderen niet kennen. Weet je dat Alexi Dragonetti (hoofd van Ballon Media nvdr.) toen die nog bij Dargaud en Lombard werkte, de grootste moeite had om Jommeke aan zijn uitgever te slijten. Hij kon die amper overtuigen de bestaande Jommekes te laten herdrukken. In het Nederlands, niet eens als vertaling. Dat is wel de best verkopende reeks van Vlaanderen. Maar de uitgever had daar geen oren naar. Dat was Vlaams.

Met 'België gestript' heb ik geprobeerd de twee Belgische stripculturen te verenigen. Niet door ze simpelweg langs elkaar te zetten, maar door te tonen hoe ze verbonden zijn. Ik moet wel bekennen dat het ongeloofllijk moeilijk was om die puzzel te leggen. Soms gaan de dingen in elkaar over – dan laat ik zowel Vlaamse als Waalse auteurs aan het woord – maar op andere momenten gaat dat niet. Sommige aspecten zijn nu eenmaal anders. Vlaanderen en Wallonië zijn anders geëvolueerd.

Een illustratief voorbeeld hiervan is de manier waarop het stripblad 'Robbedoes' werd behandeld: de Nederlandstalige variant van het Franse moederblad 'Spirou'. De hoofdredacteurs van 'Robbedoes' moesten de grootste moeite doen om Vlaamse stripmakers in het blad te laten opnemen. 'Spirou' liet het niet toe. Zo werd 'Robbedoes' bijna volledig door Franstaligen volgetekend.

De helden van het stripblad 'Robbedoes'. Op Lucky Luke na, bijna allemaal van Franstalige origine.

Aan de andere kant moeten we toegeven dat de Vlamingen niet echt verder gekeken hebben als hun neus lang was. De Vlamingen zijn teruggeplooid op dat wat ze kenden. Ze hebben zich te lang in de Vlaamse klei gewenteld. Ze is blijven aanmodderen. Ze deed wat de voorgaande generatie deed – iedereen wilde de nieuwe Vandersteen worden. Pas in de jaren zeventig zijn Vlamingen als Griffo of Marvano over de grens beginnen kijken. Ze zochten toenadering bij de stijl en verhalen van de Franstaligen strips.

CE: Uiteraard ben je zelf Vlaming. Hoe moelijk was het om je niet te laten leiden door de drang om Vlaanderen erkend te zien.

GDW: Ik heb bij het maken van het boek vaak het gevoel gehad tussen twee vuren te zitten. Ik zag de reacties van de Walen al: “Die Geert, die kloot, die wil ons de Vlaamse strip opdringen”. Van de Vlamingen verwachtte ik kritiek: “Waarom heb je die strip niet vermeld, of dit, of dat...”.

Op een bepaald moment heb ik me daar over gezet. Het waren nu eenmaal maar gedachten, niet per se realiteit. Ik heb me dan gefocust op de historiek zonder rekening te houden met eventuele reacties. Ik ben op zoek gegaan naar een evenwicht. Zeventig procent Waals, dertig procent Vlaams: dat is correct als je je het belang van beide culturen inschat. Het zou fout geweest zijn om vijftig procent van het boek voor de Vlaamse strip te reserveren, puur omdat ik Vlaming ben. Dan zou ik bijna als flamingant overkomen, iets wat ik absoluut wilde vermijden.

In mijn boek heb ik een totaalbeeld willen geven. Objectief. Ik, Geert De Weyer, moet niet in mijn boek staan.

Ik heb in mijn boek bewust geen voorkeuren getoond.

CE: Op de 'Waspoederstrips' na. Die strips, vaak opgehangen rond Bekende Vlamingen als Kim Clijsters of K3, lijk je niet echt te appreciëren.

GDW: Inderdaad. Daar kon ik mijn voorkeur – of eerder afkeur – niet verbergen. Maar daar is een reden voor: daar is het evenwicht compleet zoek. Waspoederstrips zijn een typisch voorbeeld van extreem doorgedreven commercie. Ik laat in mijn boek Wim Swerts aan het woord – de tekenaar van 'Samson & Gert'. Hij vertelt hoe de rechten van die stripreeks berekend worden aan de hand van de personages en hoe vaak ze in de strip voorkomen. Hoe meer een acteur uit de tv-reeks in de strip wordt afgebeeld, hoe meer rechten die krijgt. Dat is toch niet meer normaal!

Eigenlijk geven ze zo zelf toe hoe commercieel hun product wel niet is. Die makers beseffen welk product ze maken, en ze geven dat off the record ook toe. Je moest eens weten wat ik off the record al gehoord heb. Wat stripmakers zeggen over hun strips, maar ook over andere tekenaars.

CE: Ik heb al vaker gehoord dat het er binnen de Belgische stripwereld nogal hard aan toe kan gaan.

GDW: Ongeveer tien jaar geleden was ik zelf de grote boeman in de Vlaamse stripwereld. Net omdat ik durfde zeggen dat de Vlaamse striptekenaars niet vriendelijk waren voor elkaar. Maar dat was ook zo: bij momenten gunden ze elkaar het licht niet in het ogen.

Denk maar aan Jef Nys. Die is ontzettend vaak de bronzen Adhemar ontzegt (de tweejaarlijkse stripprijs die sinds 1991 uitgereikt wordt naar aanleiding van Stripfestival van Turnhout, nvdr). Enkel omdat Marc Sleen en Hec Leemans in de jury zaten. Die stelden bijna letterlijk een veto.

CE: Dat verwondert ons. Die striptekenaars zien er zo'n vriendelijke mensen uit.

GWD: Dat is absoluut niet waar. Weet je, ik heb Jef Nys indertijd nog geïnterviewd. Hij had kort daarvoor enkele uitspraken gedaan waardoor hij de reputatie kreeg een rechtse zak te zijn. Ik kon me daar niet bij neerleggen, ik geloofde dat niet. Ik heb hem dat letterlijk gezegd, en vroeg hem om een interview – om dieper te gaan.

Dat is een legendarisch interview geworden. We hebben het over de porno-parodie van Jommeke gehad. Hij gaf toe zelf wel eens porno te kijken, “om te zien hoe het moet”. Hij was ontzettend open, intelligent. Hij had een genuanceerde menig over het leven. Hij wist dat hij in het Vlaams Blok-kamp gestoken werd en was daar niet gelukkig mee. Hij besefte dat hij een rechtse uitspraak had gedaan, maar dat hij het anders bedoeld had. Genuanceerder.

Jef Nys

CE: Het is geen geheim dat de meeste mensen wel eens op 'Jommeke' durven neerkijken. Onterecht, volgens ons.

GDW: Absoluut. Maar Jef wist dat.

Ooit heeft hij de Stripvos ontvangen: een prijs van de Stripgilde, die werd uitgereikt in het Belgisch Centrum van het Beeldverhaal. Iedereen was aanwezig, inclusief Jef Nys. Hij werd wel gefeliciteerd, maar alles behalve van harte. Kort handjes schudden, zonder warmte. Iemand van de jury heeft zelfs toegegeven dat ze de prijs gaven “omdat het moet”. Ze konden er niet meer buiten.

Jef vroeg me of ik besefte wat er aan de hand was. “Ja”, zei ik. “Maar weet jij dat ook?” “Natuurlijk. Heel veel van die mensen moeten mij niet. Ze hebben me een leven lang alles ontzegt, en nu geven ze me die prijs. Omdat ze niet anders kunnen”. Hij herhaalde dus exact wat dat jurylid vertelde.

Tijdens zijn acceptatiewoord heeft hij alles een beetje het belachelijke getrokken. “Bedankt voor deze prijs, van de Stripgilde. Ik ben al lang lid... Maar eigenlijk weet ik niet wat jullie doen”. Dat waren ontzettend harde woorden.

Jef Nys is heel erg lang uitgesloten. Vroeger sprak men altijd over de Vlaamse drie: Willy Vandersteen, Marc Sleen en Bob de Moor. In al mijn artikels heb ik altijd over de Vlaamse vier gesproken. Ik weigerde Jef Nys uit te sluiten. Die is even belangrijk als de anderen.

CE: Dat lijkt ons, eerlijk gezegd, heel erg logisch.

GDW: Nu wel, maar twintig jaar geleden, toen ik het voor de eerste keer over de Vlaamse vier had, kreeg ik telefoon van andere stripjournalisten. Gewoon om te zeggen dat Jef Nys er niet bijhoort

Later heb ik mezelf moeten corrigeren en ben ik over de grote Vlaamse vijf beginnen schrijven.

CE: Dan heb je het over Morris.

GDW: Inderdaad. Het is onvoorstelbaar hoeveel moeite ik heb moeten doen om Morris als Vlaming te laten erkennen! Morris:één van de bekendste en populairste stripmakers van België. Vraag je jezelf eens af: welk land zou een van zijn bestverkochte auteurs bewust aan de kant schuiven? Geen enkel toch? Behalve Vlaanderen.

CE: En waarom is dat?

GDW: Omdat Morris, in tegenstelling tot de Vlaamse drie – of vier – niet uit Vlaamse klei is opgetrokken. Hij is er in geslaagd om met een heel universeel thema en een heel herkenbare tekenstijl door te breken bij de Franstaligen. De Vlamingen konden dat niet plaatsen. Die hoorde niet bij de Vlaamse stijl. Morris deed iets anders als Vandersteen. Dus oordeelde men dat Morris niet Vlaams genoeg was. Iedereen heeft dat zonder meer aanvaard.

Enkele jaren geleden werd er een tentoonstelling op poten gezet over de Vlaamse strip: “Ceci n'est pas la BD Flamande”. Morris werd daarin amper vermeld. Zijn naam stond ergens in een lange lijst, onopvallend. Ik heb daar kritiek op geuit. Dat is eenvoudigweg historisch onjuist. Het Vlaamse fonds van de Letteren die de tentoonstelling mogelijk gemaakt heeft, heeft me letterlijk gezegd dat ze Morris eigenlijk geen Vlaming vinden. Dat is toch absurd! Dat is simpelweg niet juist. Het feit is dat Morris Kortrijkzaan is. Punt.

Morris en zijn Lucky Luke. De Vlaamse cowboy.

CE: Je had het daarstraks over de Bronzen Adhemar, de prijs van Strip Turnhout. Ik las je artikel over de laatste editie van dat festival. Dat was hard. Vernietigend bijna.

GDW: Er zijn heel veel woeste reacties op gekomen. Maar echt waar: dit kan niet meer! Het is pijnlijk om zien op welke lamentable manier Strip Turnhout – de meest gesubsidieerde strip-organisatie – omgaat met al haar overheidsgeld.

Kijk naar de bezoekersaantal. Toen ik het festival in 2005 organiseerde, waren er ongeveer 15 000 bezoekers – hoewel dat tegengesproken wordt. Nu tellen ze zelfs niet meer – zo is kritiek zinloos. Ik heb, met heel weinig geld, zeventien tentoonstellingen gemaakt, nu schieten er nog twee over. Er waren nu ongeveer veertig auteurs uitgenodigd – vaak volslagen onbekende namen – terwijl er in 2005 honderveertig genodigden waren.

Het kan toch niet dat van het moment een evenement gesubsidieerd wordt, het bezoekersaantal slinkt van 15 000 tot 1500, maximum 2000. En als je daar dan iets over zegt, noemen ze je rancuneus. Dat doet me niets. Stamp me de grond in, trap de aarde nog wat aan, maar ga dan naar de cijfers kijken. Die spreken.

CE: Hoe alleen sta je in je kritiek? Ik kan me niet voorstellen dat je hier niet in gesteund wordt.

GDW: Ik heb gelukkig veel steunreacties gekregen. En maar goed ook. Als er niets verandert dan gaat die subsidie wegvallen. Meer nog: de overheid zou toekomstige initiatieven – van mensen die wel iets goed willen doen – naast zich neer kunnen leggen. Daar gaat het over. We moeten iets nalaten.

Wij, iedereen die met het beeldverhaal bezig is, creëren een soort aura rond de strip. Dat is niet makkelijk, we moeten nog altijd keihard vechten. Het gaat de goede kant op – de strip wordt al als vol aanzien – maar we zijn er nog niet.

CE: Wat ons bij terugbrengt bij je boek. Hoe gelukkig ben je dat het nu, na vijf jaar, eindelijk in de winkel ligt?

GDW: Ik ben er heel blij mee. Ik gloei van trots. Maar toch, en ik heb dit al honder keer gezegd: dit doe ik nooit meer. Nooit meer zo'n boek. Fysiek en mentaal is dat ontzettend zwaar. Mijn vrienden zeggen dat ik er nu beter uitzie als de afgelopen vier jaar.

Je kan zeggen dat dit ego is, een uitdaging, of de drang om iets te delen. Wellicht is het een combinatie van al die dingen. Maar zo iets groot maak ik niet meer.

Op een update na (glimlacht). Ik heb dit nog tegen niemand gezegd maar we overwegen om het boek regelmatig te updaten. Om de tien jaar. Ik weet nu al wat er in zal staan.

CE: En ga je ons dat vertellen?

GDW: (lacht) Nee. Dat niet. Omdat het nog een proces in wording is.

CE: Updates. Omdat de tijd verder loopt, of om dingen te verbeteren?

GDW: Beide. Over tien jaar zullen sommige dingen een andere invulling krijgen. Wat gebeurt er met de huidige nieuwe generatie? Wat met manga? Waarom slaat dat niet aan?

Dat manga-hoofdstuk is trouwens volledig af. Ik heb verschillende hoofdstukken geschreven die uiteindelijk niet in het boek terecht gekomen zijn. 'België gestript' is nu al 350 pagina's dik. Meer zou te veel zijn. Of ik zou alles zo fel moeten samenvatten, dat de inhoud uiteindelijk verloren gaat.

CE: Anders gezegd: we zullen nog van je horen.

GDW: Uiteraard. Ik zal niet stoppen. Ik wil continu bijleren – anders wordt het saai. Een strip, dat is veel meer als getekende mannetjes. Een strip is een verhaal achter een verhaal – dat gaat veel verder dan hetgene je op papier ziet.

Ken je 'Frommeltje en Viola'? Een heel liefdevolle strip over een ros manneke, iets dikker, dat te verlegen is om met de meisjes te spreken. Wel, zo was ik vroeger ook. Dan doet zo'n strip iets met je.

Frommeltje, met Viola. De jonge Geert De Weyer?

'Of De plastieken walvis' van Jommeke. Al heel mijn leven ben ik gefascineerd door de onderwaterwerleld: Jacques Cousteau enzo... Wel, bij het zien van die prachtige blauwe plastieken walvis, werd ik geraakt. Die deed iets met me, veel meer als de raket van Kuifje. Nu nog, zoveel jaren later.... Die albums, de strips, ze hebben zich in mijn leven genesteld.

Dat is wat strips met mij doen en dat is fijn. Ik zal daar niet snel vanaf geraken.