Christophe Boltanski, 'Identiteit is efemeer'

Interview met Christophe Boltanski, 'Identiteit is efemeer'

Brugge is een literair festival rijker en wat voor één. Bekende en minder bekende namen strijken gedurende twee weekends neer op de mooiste plekken van de stad en wakkeren het Woord brutaal aan. Wij spraken in alle intimiteit met Christophe Boltanski, grand reporteur bij Libération en L’Obs en heden hoofdredacteur bij het nieuwe blad RevueXXI. We spraken hem over zijn debuutroman ‘De schuilplaats’ (verschenen bij uitgeverij Cossee), zijn stad Parijs, de literatuur ten huize de intellectuele dynastie Boltanski en stonden stil bij hedendaagse thema’s als migratie en identiteit.

U bent journalist, vanwaar deze stap naar de literaire fictie?

Ik ben langzaam richting de literatuur geëvolueerd. Aanvankelijk scheef ik erg journalistiek, zoals over het Nabije Oosten (Sept Vies de Yasser Arafat, 1997, Grasset, red.). Later schreef ik iets wat meer heeft van een reisroman (Minerais de sang, 2012, Grasset, red.) waarin ik een steentje volg, een felbesproken mineraal dat veel onrust veroorzaakt in Oost Congo, Kivu. Dat heb ik gevolgd van in de mijn tot aan de elektronische industrie in Maleisië. Dat verhaal had al iets literairs in zich en ik voelde me uitgedaagd om telkens dat stapje verder te gaan. 

Tegelijk wilde ik ook het verhaal van de rue de Grenelle op een of andere manier bewaren. Dat toch wel bijzondere verhaal dat ik zelf in kleine stukjes heb beleefd, maar dat mij ook in kleine stukjes is overgeleverd. Het is een verhaal even veel over een familie als over een plek. Mijn familie had de eigenschap om niets te bewaren. De meeste foto’s zijn weggegooid, er zijn geen brieven bewaard. Het zijn mensen die alles resoluut weggooien. Er was die vreemde angst voor spullen die hen zouden kunnen overleven. Het enige familiealbum dat ik heb is dat huis. En natuurlijk zal ook dat huis op een dag verdwijnen; het is trouwens nu al in een tamelijk afgeleefde staat. Ik had de behoefte om de dingen te fixeren. 

U schrijft over uw familie, de Boltanski’s oftewel ‘les Boltes’. Sommige auteurs schrijven liever niet over hun naasten, omdat dat persoonlijk erg dichtbij komt. Hebt u even getwijfeld om aan dit verhaal te beginnen? 

Ik schrijf over zaken die me intrigeren. En het verhaal van die familie, toevallig die van mij, had ook iets van een onderzoek. Hun manier van leven, en dat is mij gek genoeg pas later opgevallen, als je opgroeit lijkt alles zo evident, maar er was een behoorlijke kloof met de buitenwereld. Ik wilde graag begrijpen waarom zij leefden zoals ze leefden. Ik wilde dat onderzoeken, uitspitten, maar tegelijk niet per se echt helemaal verklaren. Bij het schrijven komen er vragen naar boven waar men steeds omheen blijft draaien. 

De structuur van uw roman ligt resoluut vast. Hij is opgebouwd rond de plattegrond van de woning aan de rue de Grenelle. Was dat geen risico? 

Dat is nu net wat me interesseerde. Ik had al snel door dat het huis als een personage naar voor kwam. Ik moest dat personage beschrijven en als je een huis beschrijft dan loop je erdoor. Je stapt natuurlijk niet langs het raam naar binnen. Ik volgde voor dit verhaal een plattegrond, eerder dan een chronologie. Dat was een erg spannende manier van schrijven, maar inderdaad ook riskant want het moet natuurlijk een boek worden. Een verhaal, een vertelling met een begin, een ontwikkeling, een einde. Dat verwacht een lezer. De lezer moet getriggerd worden om telkens verder te lezen. Je schrijft voor jezelf, maar natuurlijk vooral voor een lezer. Gek genoeg paste het verhaal van die familie erg goed in de structuur van het huis. Ik heb echt geprobeerd zo trouw mogelijk te blijven aan de structuur van dat gebouw. 

De wereld van de Rue de Grenelle waar uw grootouders en uw ooms leefden was erg gesloten, het is een microkosmos. Op dertienjarige leeftijd hebt u besloten om er te gaan inwonen. Wat trok u er zo aan?

Ik kwam er al erg vaak, in feite spendeerde ik er de helft van m’n vrije tijd al. Weet je, kinderen houden er nu eenmaal van de wereld van buiten binnen na te bouwen, op kleine schaal. Met een paar steentjes, een pop bouw je een wereld op. Dus op een bepaalde manier kwamen daar de microkosmos en de macrokosmos bij elkaar. Het was er dan wel gesloten voor de buitenwereld, maar het was een wereld op zich, zoals een eiland. Ik ben daar erg aan gehecht geraakt. Met mijn oom Christian (Christian Boltanski is plastisch kunstenaar, red.) speelde ik graag soldaatje op zolder en we bouwden een heel land na met een zee, het tapijt als rivier, bruggen, dorpjes. Daar heb ik altijd enorm van gehouden dat veranderen van grote naar kleine schaal. Die kracht van de wereld te kunnen scheppen in een glas water. 

Helemaal aan het begin van uw roman beschrijft u hoe u met uw familie in een wagen door Parijs rijdt, iedereen samengeperst in een kleine Fiat 500. Een wagen, iets intiems dat door de buitenwereld beweegt, dat is misschien wel het ultieme tegengestelde van een boek dat de buitenwereld binnenbrengt…           

Ja en nee, het is een open boek. Het laat je de wereld zien, maar je toont je ook aan de wereld. Mijn familie viel erg op in de buitenwereld. (Grootmoeder leed aan polio en kon niet lopen, red.) Maar ze vielen ook op in dat kleine autootje. Ik voelde de blikken van anderen op hen.

(Denkt na) Ik zie een boek eerder als een soort huis dat een gesloten wereld is. Een huis clos waar alles inzit. Daarom wilde ik dit boek ook opbouwen als een soort huis, opgebouwd uit bakstenen. Je hebt de kamers die de hoofdstukken van het boek vormen, maar elke kamer bestaat dan weer uit die kleine bakstenen die elkaar opvolgen, die optellen. Ik wilde graag die fragmentaire kant bewaren. Misschien ergens wel als een soort assemblage, ja. 

Was er veel plaats voor literatuur in de rue de Grenelle?

Jazeker. Mijn grootmoeder hield erg van literatuur. Ze hield van hedendaagse Amerikaanse literatuur, zoals Truman Capote, Tennessee Williams. Mijn grootvader hield meer van de Franse literatuur. Hij was student aan een goede republikeinse school en hield van de grote Franse schrijvers. Hij las me weleens voor uit Victor Hugo, Jules Renard. In feite heb ik dankzij hem de literatuur ontdekt. Mijn vader (Luc Boltanski is vermaard socioloog en dichter, red.) las dan weer poëzie, hij was close met heel wat dichters. Bovendien schreef mijn grootmoeder zelf, zij was romancière. In de rue de Grenelle had de literatuur een erg voorname plaats. Er kwamen bevriende schrijvers over de vloer bij mijn grootmoeder. En gezien zij zich niet kon verplaatsen hield ze er weleens een ‘literair salon’ vanuit haar zetel. 

Denkt u aan specifieke titels die uw jeugd daar hebben gekleurd?

Ach, er zijn er zo veel. Laat mij eens denken, Truman Capote haalde ik al aan. Zijn ‘In Cold Blood’ was belangrijk voor mijn grootmoeder. Mijn familie reisde zelfs naar aanleiding van bepaalde boeken. Bijvoorbeeld ‘On the beach’ (Nevile Shute, red.) dat zich afspeelt in Australië. Mijn grootmoeder is tot in Alice Springs geweest. Ze had ook een grote verzameling glazen Muranofiguurtjes naar aanleiding van Tennessee Williams’ ‘The Glass Menagerie’. Ja, er waren zeker veel literaire referenties in het huis aan de rue de Grenelle. Ook veel kunstboeken. Christian heeft zichzelf kunstgeschiedenis onderwezen aan de hand van allerhande kunstboeken. De hele Segherscollectie was in huis (bekend als de reeks ‘Poètes d’aujourd’hui’ in 1944 opgericht door verzetsman Pierre Seghers, red.). De surrealistische dichter Pierre Morange was een huisvriend. 

In uw roman ‘De schuilplaats’ spelen ook de grote thema’s van de twintigste eeuw; identiteit en migratie. U bent zelf naar Odessa getrokken om op zoek te gaan naar sporen van uw familie. Het feit dat daar ter plaatse niets terug te vinden was, geen enkele verwijzing naar uw familie, de Boltanski’s, komt bijna over als een les. Dat identiteit niets vast of tastbaar is, zoals één stuk land, één taal, één religie, maar dat identiteit efemeer en veranderlijk is. Eerder een verhaal dat wordt overgeleverd en dat verandert in de tijd en bij elke overlevering.

Inderdaad. Ik heb in Odessa een soort van taboe doorbroken. Mijn familie was al vaak in Rusland geweest, maar nog nooit in Odessa. Op een gegeven ogenblik stonden ze zelfs aan de poorten van de stad, maar mijn grootvader wilde niet naar binnen gaan. Odessa had een heel belangrijke plaats in de familie, men had het er vaak over. Het was een soort richtpunt, zoals je op een boot zit en je je naar een bepaald punt richt om koers te houden. Het was iets ver weg en tegelijk een point de repère. Maar ginder heb ik inderdaad niets teruggevonden dat naar de Boltanski’s verwijst, geen naam, geen grafsteen, geen adres. En plots begreep ik ook waarom mijn grootvader die stad niet in wilde. (Denkt even na.)

Wanneer migranten vertrekken laten zij alles achter, hun omgeving, hun naasten, en zij vinden zich elders opnieuw uit. Er was die affaire rond Nafissatou Diallo (het slachtoffer van de aanrandingszaak van D. Strauss-Kahn, red.). Haar verhaal werkte tegen haar zaak, want zij had een deel van haar verhaal anders voorgewend bij de immigratieautoriteiten bij haar aankomst in de Verenigde Staten. Nu, alle immigranten liegen. Niet om slechte redenen, maar door de macht van het moment. Ze vinden zichzelf opnieuw uit. Dat was voor mij ook een van de thema’s in het boek. Die mensen hebben zich voortdurend opnieuw uitgevonden. Ze hebben verschillende keren hun naam veranderd (tante Anne signeerde haar fotografiewerk met Anne Franski, red.) en zijn ook werkelijk van identiteit veranderd (grootmoeder werd als kind geadopteerd, red.).

Vandaag is er dat idee dat identiteit je vastpint. Identiteit als toewijzing. Het kleeft aan je zonder dat jij zelf er in feite toedoet. Men pint je vast, maar jou wordt niets gevraagd. Ik vind het belangrijk om daar tegenin te gaan. (Stellig) Nee, identiteit is altijd gekozen. Het is een recht. Het moment wanneer dat niet meer mogelijk is, dat is de aankondiging van geweld en grote duisternis. 

Het hoofdstuk Tussenruimte vormt het hart van uw boek. U vertelt er over de bekering van uw Joodse grootvader Etienne. Bekering is misschien wel de ultieme vorm van assimilatie in het katholieke Frankrijk. U komt scherp uit de hoek, niet voor uw grootvader, maar voor Frankrijk als ‘gastland’. U schrijft ‘Ondanks al zijn inspanningen slaagde hij er niet in zijn tussenruimte te verlaten. Hij had zich een eeuwig en christelijk Frankrijk eigen willen maken. Maar hij klopte op de deur van een huis dat hem niet moest.’ Dat is toch wel een grote bemerking? 

Je moet erg goed de schok begrijpen voor heel die generatie Joodse mensen voor wie Frankrijk hét land van de Droit de l’homme was geweest. Zij waren bezeten van het idee van Frankrijk als vrije republiek, emanciperend, bevrijdend. Ze zouden voor dat land en die waarden sterven. Zij waren echt tot alles in staat. De moeder van mijn grootvader zei zelfs in 1914: ‘Als jij niet naar het front gaat, dan ben je mijn zoon niet meer.’ Ze heeft zichzelf geëngageerd als verpleegster en is teruggekomen met een onderscheiding. Mijn grootvader was anderzijds ook een echt kind van de republiek. Hij kreeg een beurs, ging studeren, slaagde voor zijn eindexamens, werd hoofdarts in een ziekenhuis.

En toen brak de Tweede Wereldoorlog aan en werd hem en alle Joodse mensen stillaan alles ontnomen. Zijn werkvergunning, de auto, de radio. Beetje bij beetje verliest hij al zijn sociale rechten. En dan volgt het gevaar dat hij gedeporteerd kan worden. Mijn grootvader is altijd erg gehecht gebleven aan Frankrijk, maar het was wel de Franse staat en het waren Franse politiemensen. Hij werd zich bewust van de omkeerbaarheid van de dingen. Dat de dingen niet verworven zijn, dat ze snel weer kunnen worden teruggedraaid. Dat mensen zich tegen je kunnen gaan keren, dat je collega’s op het werk kunnen veranderen. Dat de chef die je onder zijn hoede heeft genomen en je heeft doen evolueren plots kan zeggen dat je eruit moet. Dat heeft hij aan den lijve ondervonden. Dat vreet, dat wis je zomaar niet uit. 

Heeft u in Frankrijk veel reactie gehad op deze passage?

Het gebeurt wel dat ik in een brief niet zo aangename gevoelens ervaar. Gelukkig niet al te erg, ondanks dat er in Frankrijk vandaag een grote groep extreem rechts is. (Denkt na.) Er is af en toe discussie ja, maar dat is alleen maar goed.

Het verhaal van uw familie speelt zich af in Parijs. De stad is en wordt nog steeds getroffen door terroristische aanslagen. Is Parijs veranderd volgens u? 

Het is belangrijk uit de doeken te doen dat Parijs, de stad die erg zwaar getroffen is door de aanslagen, de plaats is waar het Front National, met name de partij die het meest teert op de angst voor het terrorisme, met Marine Le Pen slechts 5 percent heeft behaald. Dus er is niet echt een impact. De mensen zijn niet meer op zichtzelf gekeerd. De terrasjes zitten nog steeds vol, men gaat nog steeds uit. Er is echt wel een soort veerkracht bij de Parijzenaars. 

Maar het is wel een feit dat de aanslagen, zowel die van Charlie als die van 13 november niet alleen gericht waren tegen Parijs, maar met name tegen een deel van Parijs. Namelijk het deel waar ik zelf woon, het Oosten van Parijs. Ze waren met name ook gericht tegen het deel van de bevolking die men als bobo beschouwt. De journalisten van Charlie waren er door iedereen gekend. Ik ben zelf journalist, het waren vrienden en vrienden van vrienden. Wat ook frappant was aan de slachtoffers van de Bataclan is dat alle mensen rondom mij wel iemand kende die getroffen is. De link was heel erg kort. (Stellig) Die aanslagen waren tegen Parijs én tegen ons. Maar gelukkig hebben de aanslagen geen invloed op de overtuiging van dat milieu, op hun visie op de wereld. Paris reste Paris, gelukkig maar. (Glimlacht) 

Na de aanslagen hebben we massaal ‘Paris est une fête’ van Hemingway herlezen.

(Enthousiast) Ja, daar heeft die titel alles mee te maken.

Inderdaad. Wat is volgens u de mooiste tekst over Parijs? 

Het zijn gek genoeg meestal de buitenlanders die het best over een stad kunnen schrijven. Ik houd erg van ‘Quiet days in Clichy’ van Henry Miller. Maar er zijn er zo veel die over Parijs schrijven, bijvoorbeeld Boris Vian.

(Glimlacht) Als adolescent reisde ik vaak naar Turkije en ik kende daar een sympathieke man die Parijs helemaal vanbuiten kende zonder er ooit een voet te hebben gezet. Hij had heel Balzac gelezen. Hij kende de wijken, de namen van de straten…

Weet je, ik houd erg van Parijs, van de stad. Ik houd ervan plaatsen te verkennen als ware het kamers van een gebouw. Ik raad je het werk van Philippe Vasset aan. Hij schreef ‘Un livre blanc’ (Fayard, 2007) waar hij vanuit een grote stafkaart vertrekt waar écht alles opstaat van gebouwen, tuinen, publieke ruimten, groen... Maar op die kaart staan ook witte stukken, stukken die niet zijn toegekend, zoals de terra incognita en de kaarten van de ontdekkingsreizigers van Afrika in de negentiende eeuw. Hij heeft al die terrain vagues bezocht, al die tussenruimten. Het resultaat is een prachtig boek om de stad Parijs en haar voorsteden te verkennen.  

Morgen vindt de tweede ronde van de Franse presidentsverkiezingen plaats. U bent hier vandaag in Brugge om te spreken over uw meest subversieve tekst. Moet de hedendaagse literatuur subversiever zijn volgens u, zich meer engageren?

Dat weet ik niet. Dat denken we misschien soms, maar eigenlijk is dat een banaal idee. Literatuur is immers altijd subversief. Literatuur ‘verlegt’ iets. Je beschrijft bijvoorbeeld een tafel aan de hand van een ongebruikelijk woord, zodanig dat je diezelfde tafel op een andere manier gaat bekijken. De literatuur moet de mens in staat stellen de wereld op een andere manier te bekijken. Soms laat ze de wereld veel helderder zien, met een groter onderscheidingsvermogen. Maar literatuur laat mensen vooral ook inzien dat er meerdere manieren van kijken zijn. Er is niet één vaste kijk op de zaken, dat zou geen zin hebben. Er is geen norm, geen orde. Literatuur is dan ook enorm democratisch.

Maar natuurlijk, subversiviteit kan alle kanten uit. Céline was een groot auteur en hij was onmiskenbaar een fascist. Dus literatuur kan transgressief (verder rijkend, red.) zijn, maar ook een transgression zijn (een inbreuk, red.). Céline is inventief in zijn taalgebruik, maar er zit tegelijk een enorme gewelddadigheid in zijn taal. Je merkt dat die literatuur iets voorbereidt, iets in zich draagt. Woorden gaan in het algemeen daden voor. Dus ja, literatuur heeft zeker een bepaalde verantwoordelijkheid en ook subversiviteit draagt meerdere gedaantes in zich. 

Bedankt voor dit openhartige gesprek en een roman vol verhalen, geschiedenis en bijzondere humor.

Bru-Taal festival, Brugge, zaterdag 6 mei 2017

auteursfoto: Julien Falsimage