Celia Ledoux

Interview met Celia Ledoux

‘Mama by day, Catwoman by night’, aldus het Twitterprofiel van Celia Ledoux. Ergens tussenin schrijft ze columns voor deredactie.be, verhalen voor literaire tijdschriften en is ze volop ‘aan het worden’. De laatste vijf jaar vloeiden er bovendien twee mamaboeken uit haar scherpe pen en zette ze haar romandebuut ‘Wild vlees’ op papier. Daarin schotelt Ledoux ons in flitsende taal een samenleving voor ‘die dendert op pillen, bedrog, seks’.

‘Wild vlees’ opent met ‘Een hoofdstukje drank en drugs’. Je sleept ons meteen een Amerikaanse sfeer binnen. Consultancywijfjes, het Concern, hardbodies: het is een decor dat we niet vaak aantreffen in de Vlaamse literatuur.

Ledoux: Ja, het wordt Angelsaksisch genoemd. Die literatuur is zo vitaal. Zij geven het tempo aan van deze tijd. En daar wilde ik in duiken, dat wil ik vertolken. Ik houd heel erg van boeken die je kunt indrinken, zintuiglijke boeken die je onderdompelen in een wereld.

Je voert drie straffe dames op, die ons een blik bieden op het bedrijfsleven, het gezinsleven en zelfs op de gang van zaken in een parenclub. Wat vormde de aanzet?

Ledoux: Die werd tien jaar geleden al geschreven. Toen werkte ik in een groot corporate bedrijf als copywriter. Mijn pen werd opgemerkt en al snel kwam ik in contact met ontzettend getalenteerde allroundmensen. Binnen onze compleet veranderende cultuur en economie gaat de aandacht vaak naar de zwakkere groepen in de maatschappij, maar we vergeten soms dat die topmensen daar ook moeite mee hebben.

Het beeld dat je nu schetst van een corporate bedrijf, klinkt positiever dan wat we uit ‘Wild vlees’ meekregen.

Ledoux: Dat is niet het beeld van een bedrijf, maar van de mensen die erin staan. Op dit moment is er een opvallende tendens aan de gang. Topmensen worden enerzijds vergoddelijkt en anderzijds geportretteerd als architecten van het kwade. Allebei is het nonsens. Het gaat om mensen, die ergens terechtgekomen zijn – erin gerold of gestapt – en die proberen om er het beste van te maken. Ik heb geprobeerd om mijn karakters grijs te houden. Nee, dat klinkt te neutraal. Ik heb geprobeerd om van niemand een ‘goeie’ te maken.

Tegelijk veroordeel je niemand. Je personages spreken zoals ze zijn, en dat laat je als auteur toe.

Ledoux: Fijn, dat was de bedoeling. De wereld is geen zwart-witte plek; ik wil het kleurrijk houden. Bovendien moeten personages die een maatschappelijke stem vertegenwoordigen heel goed geschreven zijn om in het verhaal te kunnen blijven. Voor je het weet, raakt jouw lezer zijn suspension of disbelief kwijt. Ik vind niet dat ik grote idealen moet gaan verdedigen in een roman. Met ‘Wild vlees’ kon ik eens goed de zot steken met alle heilige huisjes en afkicken van ideologisch schrijven. Als ik dan toch één ideaal naar voor wil brengen, dan is het dat … (aarzelt).

Ik wou zeggen: ‘Ik houd van de mens’, maar dat is het niet. Ik vind het prettig om mensen neer te zetten die feilbaar zijn en die desondanks, of misschien juist daardoor, graag gezien worden en iets presteren. Al meer dan veertig jaar leven we in een cultuur die constant ideale beelden op ons afvuurt. Mijn tegenaanval bestaat erin om andere kanten te laten zien, om die niet erg te vinden, om die te laten bestaan. De essentie ontglipt me nog altijd.

Die beeldcultuur is prominent in ‘Wild vlees’. Top dogs zoals Donna houden zichzelf een scherm voor, maar ook de rijke erfgename Lucie heeft de grootste moeite om aan die beelden te voldoen. Ze leeft op een mix van pillen en verdikt almaar. Wat trekt jou aan in haar personage?

Ledoux: Ik denk dat Lucie een zoektocht van deze tijd vertolkt. Ze zit in een rijk milieu waar enorm veel van haar wordt verwacht. Daarin probeert ze haar weg te vinden en haar eigen wereld te verzoenen met de verwachtingen die op haar worden geprojecteerd. De malaise van mensen als Lucie krijgt vreemd genoeg zelden een platform. In elke realiteit heb je overal schakeringen, op elke plek van het spectrum. Lucie is daar een deel van, maar daarnaast is zij ook een geweldig leutig mens. Eigenlijk hebben de drie vrouwen een zoektocht, naar zichzelf, naar geluk, naar wat dan ook, maar Lucie gaat er keihard voor, met een enorme daadkracht. Zij heeft nooit geleerd om stil te staan bij zichzelf, zij doet.

Alle vrouwen uit jouw roman zijn op zoek naar die innerlijke rust, maar het lijkt wel alsof er iets radicaals moet gebeuren vooraleer ze verder kunnen. Dat lijkt me vrij pessimistisch.

Ledoux: Ik snap je punt. Ik denk dat we het gewend zijn om verder te gaan zolang het lukt. Wij zijn gewoontebeestjes, uit veiligheid. Maar soms is zo’n radicale ommezwaai niet nodig. Vergelijk het hiermee: je kunt pasta op een hoog vuur zetten, en hem eraf halen net voor het water overkookt. Als we allemaal het vuur wat zachter zouden draaien, dan kunnen we op tijd stoom aflaten. Soms is het belangrijk dat je ergens gaat zitten, rondkijkt en weer in de wereld landt.

Zou dit je raad zijn aan Donna en Clara, als je hun vriendin was in plaats van hun geestelijke moeder?

Ledoux: Als ik hun vriendin was, zou ik mijn klep houden. Ik zou geen lang gesprek met hen kunnen voeren, want ik zou er hoorndol van worden. Die gaan niet luisteren, tot ze ergens tegenaan knallen. Die bots is trouwens voor veel mensen nodig. Ook naar buiten toe. Op dit moment kun je het niet maken om te zeggen: ‘Ik doe een stap terug.’ ‘Ah, waarom?’ ‘Zomaar!’ Amélie Nothomb heeft dat wél gedaan. Dat beschrijft ze in haar autobiografische roman ‘Met angst en beven’. Er is een verwijzing naar dat boek in ‘Wild vlees’ geslopen. Ik ging voor een rechttoe rechtaan boek, maar het eindresultaat bulkt van de literaire verwijzingen, symbolen en allegorieën. Het ging per ongeluk. Ik moest een paar van mijn helden en heldinnen eren.

En daar is de bedenker van het woord ‘hardbody’ één van?  

Ledoux: Bret Easton Ellis is niet speciaal mijn held, maar het woord ‘hardbodies’ hoort geëerd en geperpetueerd te worden. Eigenlijk is literatuur een enorme nooit eindigende jakobsladder, waar je altijd stapjes verder zet en al die stapjes meeneemt. Er zijn heel wat mensen waardoor ik ben beginnen schrijven, maar dat is iets anders dan invloeden. Ik heb in mijn vroege jeugd de boekenkast van mijn grootvader doorspit en las als achtjarige ‘De gebroeders Karamazov’. Toen belichaamde Dostojevski voor mij het toonbeeld van een schrijver: statig, oud en zelfs rechtschapen.

Als elf- of twaalfjarige ontdekte ik ‘Brede heupen’ van Kristien Hemmerechts en erna ‘De wetten’ van Connie Palmen. Dat was echt een openbaring. Die lieten mij zien dat je kan schrijven vanuit het perspectief van een vrouw, dat je over liefde, seks, relaties en aantrekking kon praten als een vrouw en – dat was de clou – dat dat literatuur was. Geertrui Daem is nog zo iemand, die me om de hoek deed kijken. Ik wou alleen dat haar personages wat meer bevrijding kregen op het einde van haar romans. I’m a sucker for happy ends!

Ik kijk trouwens graag naar oeuvres van auteurs. Dan zie je dat elk boek in zekere zin een sequel is van het vorige. Vaak verouderen auteurs met hun personages, zoals Renate Dorrestein. Bij pakweg Bernlef is dat minder het geval. Die schrijft overigens heel apollinisch, echt vanuit het hoofd.

En jij eerder dionysisch?

Ledoux: Ik hoef die bokkenpootjes en die baardgroei niet. Geef me maar iets vrouwelijkere goden.  

Aphrodite?

Ledoux: Vandaag zou zij waarschijnlijk met een telefoon met een bling-cover rondlopen. En met veel glitter. Misschien zou Aphrodite vandaag Nicki Minaj zijn. Het pantheon is natuurlijk enkel voor oppergoden. Ik ben daar een stratosfeer van verwijderd. Eerst heb je de mindere goden, dan de nog mindere ... En daar sta ik: zo’n vijf verdiepingen onder Mark Eyskens (lacht). Ik ben nog aan het worden.

Blijven worden is een mooi doel. Nog eens terug naar Ellis. Je schrijft in een column dat je Ellis en Palahniuk leest in je-m’en-fous-buien. Wanneer nemen we ‘Wild vlees’ best ter hand?

Ledoux: Dat kan ik als schrijver niet uitmaken. Het is toch prachtig dat een boek voor iedereen iets anders kan betekenen. Ik krijg ook wildly verschillende interpretaties van mijn roman. En dat mag. ‘Wild vlees’ is mijn cadeautje: doe er iets mee.