Camille Thomas & Julien Libeer

Interview met Camille Thomas & Julien Libeer

Jong en onverschrokken: celliste Camille Thomas en pianist Julien Libeer staan te trappelen om de wereld te veroveren. Of te verleiden. Of, op zijn minst, in vervoering te brengen. Zo geëngageerd als ze zijn op het podium, zo gelijkmoedig ogen ze ernaast. Naar aanleiding van hun album ‘Réminiscences’ praten ze over zichzelf, over elkaar, over het publiek en over hun gedeelde passie: de muziek.

Binnenkort verschijnt jullie duoalbum ‘Réminiscences’. Met die titel lijkt het alsof jullie suggereren dat muziek een medium is via hetwelke het verleden heden wordt. Is dat zo? Kunnen jullie de titel misschien nog verder toelichten?

J & C: De sonate van César Franck, het centrale werk op onze cd, is de inspiratie geweest voor de fictieve sonate van een zekere Vinteuil, die Marcel Proust een prominente rol laat spelen in zijn roman ‘À la recherche du temps perdu’. Deze “petite phrase de Vinteuil”, dat de protagonist van het verhaal in de mondaine salons oppikt, verrast en ontroert hem telkens weer, en voert hem mee naar zijn diepste ‘ik’. De visie op muziek die Proust daar weergeeft, correspondeert met wat wij hopen te doen met onze concerten. We hopen met name dat de muziek een anker kan zijn voor het innerlijk, voor onze herinneringen, onze angsten, onze verlangens, al onze verborgen emoties. Anderzijds is een titel van een cd niet per definitie verduidelijkend, maar eerder poëtisch bedoeld. In die zin is de beluistering van de opname veel wezenlijker dan slechts dat ene woord.

De opname van een mijlpaal zoals de sonate van César Franck, hoe pak je zoiets aan? Camille, heb je eerst naar enkele van de grote interpreten uit de muziekgeschiedenis geluisterd, of ben je uitsluitend vanuit de partituur vertrokken?

C: De sonate van Franck geniet zoveel bekendheid, dat ik uiteraard al heel wat cd’s en live-uitvoeringen had gehoord voor ik het werk zelf begon te spelen. Eenmaal ik me voorneem een werk uit te voeren, beluister ik evenwel geen andere opnames meer en duik ik volledig onder in de partituur. Dit om het universum van de componist te begrijpen, het historische kader van wat de auteur wil vertellen via zijn werk en de zielsboodschap beter te kunnen capteren, om daar uiteindelijk mijn versie van te maken.

Aan Francks sonate voegden jullie enkele “kleinere” werken toe. Wat was de bedoeling precies? Een soort sfeer creëren rondom deze mijlpaal uit het repertoire? Of zijn de stukken voor jullie van even groot belang? Julien?

J: “Sfeer oproepen” is inderdaad wat we hebben geprobeerd. Het Parijs van het einde van de 19e eeuw is bijzonder fascinerend. De sonate van César Franck is een van de grote mijlpalen uit de geschiedenis van de kamermuziek, een echt epos van een ongeziene intensiteit en dramatische kracht. Het leek ons boeiend om dat te kaderen in kortere karakterstukken van Francks tijdgenoten - de sensuele charme van Saint-Saëns, de muzikale hallucinaties van Duparc, de intieme lyriek van Fauré… Een samenspel van complexe persoonlijkheden, een muzikale schets van een vervlogen tijdperk dat niets van zijn emotionele kracht verloren heeft.

Heb je daar nog iets aan toe te voegen, Camille?

C: Men zegt vaak dat de cello het instrument is dat het dichtst bij de menselijke stem staat, en daarom wou ik graag een cd opnemen die het lyrisch vermogen van de cello centraal stelde, zijn vermogen om te praten, te zingen, verhalen te vertellen, te doen dromen. Om die reden hebben we enkele korte stukken gekozen die behoorlijk bekend zijn, en die te vergelijken zijn met de madeleines van Proust. Tussen al deze kleine werkjes, wilden Julien en ik de luisteraar bij wijze van contrast meenemen op een langere reis, en zodoende zijn we bij Francks sonate uitgekomen. Tot slot plaatsten we in het midden nog de minder beroemde sonate voor cello solo van Eugène Ysaÿe, als het ware om de minnestreel in de strijker op te zoeken en de diepgang ervan tot klinken te brengen.

Sinds jaar en dag is het zo dat het voornamelijk een ouder publiek is dat door klassieke muziek begeesterd wordt. Hoe gaan jullie daar mee om? Proberen je de muziek echt te “verjongen”, Julien?

J: De discussie over het klassieke publiek is ondertussen twintig jaar oud en wordt vaak gevoerd met een mengeling van feiten, clichés en self-fulfilling prophecy, zodat het moeilijk is om er een objectief beeld van te krijgen. Aan de ene kant is er wereldwijd nog nooit in de geschiedenis zo’n groot publiek geweest voor klassieke muziek. Dat de gemiddelde leeftijd van dat publiek hoger ligt dan bij het doorsnee Rihanna-concert is ongetwijfeld juist, maar dat is op zich geen probleem, en bovendien zie ik genoeg ouders met kinderen en dertigers en veertigers in de zalen om niet te ongerust te worden over de toekomst.

Nu is klassieke muziek natuurlijk het muzikale equivalent van schrijvers zoals Tolstoj, Beaudelaire, enzovoort. De capaciteit om het echt te appreciëren is iets dat je moet ontwikkelen - wat in een tijdperk van op maat gemaakt, gemakkelijk entertainment niet altijd evident is. In die zin lijkt de rol van muzikanten me niet meteen om Brahms of Mozart te ‘verjongen’, maar om welsprekende en inspirerende ambassadeurs te zijn van een muzikale erfenis die vandaag nog even boeiend is als jaren geleden. Het is ook vanuit die filosofie dat ik dit voorjaar op Canvas Studio Flagey Klassiek heb gepresenteerd.

Camille, probeer jij uitdrukkelijk jongeren aan te spreken, of is het voor jou minder belangrijk wie zich in de zaal bevindt?

C: Mijn engagement op de bühne is altijd even groot, ongeacht of er vier dan wel vijftigduizend personen aanwezig zijn. Aan de andere kant zie ik jonge mensen in contact brengen met klassieke muziek als een belangrijke missie. Per slot van rekening is deze muziek de erfenis van onze cultuur en staat ze op gelijke hoogte met de romans van Victor Hugo en Tolstoj, de schilderijen van Van Gogh of Michelangelo, … Als we vandaag partituren spelen die ruim tweehonderd jaar oud zijn, dan is het niet omdat ze uit de mode zijn of dat de klassieke muziek tot de verleden tijd behoort. Integendeel zijn het universele stukken die de tand des tijds doorstaan hebben, zonder ook maar een greintje van hun waarheids- en actualiteitsgehalte te hebben verloren voor wat betreft het tot uitdrukking brengen van de vreugde en de pijnen van de menselijke ziel. Zelf voel ik me een jonge vrouw die met beide benen in deze tijd staat en ik hoop de tijdloosheid van de muziek met mijn generatiegenoten te kunnen delen via sociale kanalen, YouTube, enzovoort. Daar bevindt zich immers de grootste concertzaal ter wereld!

Julien, hoe belangrijk is het publiek voor jou als uitvoerder? Staat je artisticiteit in het teken van de toehoorders, of probeer je als musicus in de eerste plaats zelf tot de essentie van partituren en componisten door te dringen?

J: De tegenstelling ‘eerst de partituur’ of ‘eerst het publiek’ is denk ik slechts ogenschijnlijk. Ik vergelijk het graag met het werk van een acteur. Stel dat die de monoloog van Hamlet moet brengen. In eerste instantie heeft hij enkel een papier met woorden, interpunctie, en misschien een paar regieaanwijzingen. Dat is niet niks, maar ook verre van genoeg. Met die informatie moet hij nu een geloofwaardig personage van vlees en bloed neerzetten, waar het publiek in kan geloven. Dat is de hele kunst, en het antwoord op de vraag hoe hij dat kan bereiken, ligt in de chemie tussen die tekst, de vragen die het bij hem oproept, en de intelligentie en gevoeligheid waarmee hij die vragen oplost. Als hij die zoektocht eerlijk en consequent doorvoert, bestaat er een grote kans dat hij het publiek heel diep zal kunnen raken. Voor musici is het in essentie niet anders.

Camille, heb je als jonge muzikante het gevoel dat je jezelf voortdurend moet bewijzen?

C: Wanneer ik muziek speel, plaats ik mezelf niet in het centrum van de aandacht, maar zie ik mijn eigen persoon slechts als een doorgeefluik tussen het genie van de componist en de ontvankelijkheid van het publiek. Het proces van muziek uitvoeren gaat dus voorbij aan mezelf en ik probeer de muziek zoveel mogelijk te dienen, wetende dat ik menselijk ben, en dus imperfect. Een concert of een cd-opname zie ik dus veeleer als een offerande ten bate van de muziek, en dus geen medium waarmee ik mezelf moet bewijzen. Gelukkig maar, want anders zou dat een verschrikkelijke druk met zich meebrengen.

Julien,
je werkt tegenwoordig als solist en als kamermuzikant. Zijn die twee voor jou van even groot belang, of probeer je je carrière in een bepaalde richting verder uit te bouwen?

J: Beide activiteiten zijn vitaal voor mij. Natuurlijk heb ik altijd een solistenrepertoire (en bijhorend temperament) gecultiveerd, maar zolang ik me kan herinneren heb ik kamermuziek gespeeld. Er bestaat zoveel mooie muziek buiten het zuivere pianorepertoire, en bovendien is er een boeiende sociale dimensie die je niet hebt als je alleen op je kamer zit te studeren. Bovendien is het me opgevallen dat het ene het andere versterkt: als ik niet consequent het solorepertoire zou blijven brengen zou ik geen goede kamermuzikant kunnen zijn, en tegelijkertijd inspireren die voortdurende muzikale uitwisselingen met andere musici ook mijn visie op de stukken voor piano solo. Ik probeer in mijn agenda solo en kamermuziek in een gezond evenwicht te houden. Daartoe werk ik liever zeer grondig met weinig mensen (op dit moment werk ik structureel enkel met violist Lorenzo Gatto, en met Camille), in plaats van constant verschillende projecten te aanvaarden. In mijn ervaring kunnen in die context de mooiste dingen gebeuren.

Camille, is de samenwerking met Julien Libeer tot nu toe vlot verlopen?

C: Soms zijn bepaalde ontmoetingen gewoonweg vanzelfsprekend, en met Julien heb ik zo’n ontmoeting gehad. We hebben elkaar leren kennen in de trein die ons naar het festival in Cornouaille bracht – toevallig bleken we twee stoelen naast elkaar te hebben gereserveerd. In een oogwenk is de zeven uren durende treinrit voorbij gevlogen. Op onze vriendschap is vrij snel een muzikale samenwerking gevolgd. Doorheen ons bestaan als muzikanten zijn er behalve concertmomenten op scène ook heel veel gebeurtenissen daarnaast. Repetities, reizen, twijfels, vreugde: het is een voorrecht geweest dat alles telkens weer met Julien te mogen delen!

Jullie presenteren jullie nieuwe cd in een aantal verschillende steden. Camille, is er een datum waar je bijzonder naar uitkijkt?

C: We zijn allebei Belgen en we verheugen ons altijd om “thuis” te mogen spelen. Ik kijk dus erg uit naar de serie concerten hier, meer bepaald in Aarschot (30 september), Chaleroi (8 oktober), Brugge (30 november) en Brussel (12 februari). Daarnaast kan ik niet wachten op ons lanceringsconcert in het Théâtre de l’Athénée in Parijs, waarvoor we een aantal kameraden hebben uitgenodigd die met ons de bühne zullen delen. Verder staan de passages in Duitsland met stip in mijn agenda genoteerd, meer specifiek in Berlijn en op de Festspiele Mecklenburg-Vorpommen, omdat ik er mijn studies heb gedaan en omdat het land in zekere zin de wieg van de klassieke muziek is. Kortom, het is altijd een privilege er uitgenodigd te worden.

Hartelijk dank voor dit interview, en veel plezier en succes met jullie tournee!

‘Réminiscences’ verschijnt op vrijdag 23 september bij La Dolce Volta. In de loop van volgende week publiceren wij onze recensie.

Copyright foto Camille Thomas: Uwe Arens
Copyright foto Julien Libeer: Gerrit Schreurs