Bruggen bouwen met Laurent Binet

Interview met Bruggen bouwen met Laurent Binet

Een gesprek is een partij tennis waarbij wordt gespeeld met een bal van boetseerklei, die elke keer als hij over het net komt, een andere vorm aanneemt.” - Morris Zapp

Nu de schitterende vertaling van Liesbeth van Nes in de rekken ligt, raakt ook ons taalgebied stilaan in de ban van ‘De zevende functie van taal’. In zijn nieuwe roman gaat Laurent Binet opnieuw met de werkelijkheid aan de haal. Wat als Roland Barthes in februari 1980 niet toevallig werd aangereden? Wat als taal over een magische functie beschikte die de gebruiker in staat stelt om willekeurig wie in willekeurig welke context willekeurig wat te laten doen? Wij ontmoeten de Parijzenaar tijdens zijn doortocht in de Lage Landen in boekhandel De Zondvloed in Mechelen en we beseffen dat er veel op het spel staat: in de Logos Club, het geheime genootschap uit het boek dat oratorische duels organiseert, moet de verliezer een vinger afstaan.

Cutting Edge: Was ‘De zevende functie van taal’ jouw speeltuin?

Laurent Binet: Het boek bevat inderdaad een sterke ludieke dimensie. Ik ben er trouwens van overtuigd dat elke roman zo’n dimensie zou moeten bevatten. Hedendaagse Franse auteurs nemen zichzelf vaak te ernstig. Het minste wat je van een roman mag verwachten is dat er een zekere mate van ironie in wordt gebruikt.

CE: Bijvoorbeeld in de vorm van een zelfbewuste verteller?

Binet: Precies. Die vloeide voort uit een persoonlijke smaak. Ik hou als lezer enorm van wat in de literatuurwetenschap ‘suspension of disbelief’ wordt genoemd. Ik hou niet van romans die doen alsof er niets aan de hand is, ik hou van een zekere vorm van reflectie. Daarom hou ik zo van Kundera. Een roman die over zichzelf nadenkt, als het ware. Zowel ‘HhhH’ als dit boek stelt zich vragen bij de mechanismen van het eigen functioneren. Daarbij worden lezer én auteur uitgedaagd. Ik wilde immers dat mijn boek ook een spannende pageturner zou worden.

CE: Ergens tussen Kundera en Fleming…

Binet: James Bond vormt in zekere zin de rode draad in dit verhaal. De structuur van de vertelling heeft iets van James Bond: de personages die van land naar land reizen, de Bulgaarse paraplu’s, ...

CE: Jouw humor gaat verder dan verteltechnische spelletjes. Op een gegeven moment laat je Michel Foucault masturberen voor een poster van Mick Jagger.

Binet: Velen denken dat ik met dit boek wil afrekenen met Foucault. Dat is helemaal niet zo. Ik laat de filosoof inderdaad zien in een aantal seksuele situaties, maar daar is toch niets aanstootgevends aan? Er is niets mis met masturberen op Mick Jagger met de deur wijd open. (lacht) Dat is trouwens een echte anekdote!  

CE: Moet fictie op dat vlak altijd vrijuit gaan? Of zijn er grenzen?

Binet: Natuurlijk zijn er grenzen. Niet alles is toegelaten. Je kan niet zomaar over bestaande personen liegen. Fictie mag geen laster met zich meebrengen. Je mag niet zomaar over mij zeggen dat ik mijn belastingen niet betaalde als ik dat wel deed. Bovendien vind ik niet dat fictie privélevens openbaar mag maken. Maar vandaag de dag, na de aanslag op Charlie Hebdo, is het meer dan ooit belangrijk om te weten dat men steeds het recht heeft om te spotten. Spot is niet verboden. 

CE: Als het maar niet beledigend is…

Binet: Offensive is een woord dat in de Angelsaksische landen erg vaak wordt gebruikt. Ik denk echter niet dat het woord in deze context op zijn plaats is. In een democratie mag je offensief zijn. Verbale beledigingen zouden nooit verboden moeten worden. Dat is iets anders dan iets uit het privéleven van een ander blootleggen.  

CE: ‘De zevende functie van taal’ verzoent tegenstellingen. Lichaam en geest, het ernstige en het burleske, taalfilosofie en James Bond. Heb je, om dat doel te bereiken, compromissen moeten sluiten? Moesten de extremen worden bijgevijld?

Binet: Elk scheppend procedé bouwt bruggen. Dat is zo in de literatuur maar net zo goed ook in de andere kunsten. To build bridges, you know. Een goed idee is iets wat twee zaken met elkaar verbindt die nog niet eerder met elkaar werden verbonden. A priori heterogene elementen probeer ik met mijn verbeeldingsprocedé samen te brengen. Dat kan bijvoorbeeld gaan over genre of over stijl. Men verwijt mij vaak dat mijn stijl te familiair is. Maar ik hou er net van om registers af te wisselen met elkaar. Soms burlesk. Soms episch. Soms heel speels. Soms academisch.

CE: Soms waargebeurd. Soms verzonnen. Ook in deze roman speel je een spel met feit en fictie.

Binet: Ik heb me verdiept in wat er in 1980 gebeurde en ik heb verschillende elementen met elkaar gelinkt. De bomaanslag in Bologna, Umberto Eco, Althusser die zijn vrouw wurgt, Bulgaarse spionnen, …

CE: En de toenmalige hitlijsten met onder meer Supertramp en Pink Floyd. Heb je die actief bestudeerd?

Binet: Het internet is fantastisch. Je geeft music ‘80 in en je hebt alles. Maar ik heb ook mooie herinneringen aan die muziek. Ik was 8 in1980.

CE: Je laat een personage in ‘De zevende functie’ in dialoog gaan met The Logical Song.

Binet: Als een ode aan Barthes benader ik de compositie van mijn roman vrij structuralistisch en ik hou ervan als een element daarin meer dan één functie krijgt. Muziek schept onmiskenbaar een bepaalde couleur locale. Maar muziek kan ook een betekenaar worden - om het in linguïstische termen uit te drukken. Een ander voorbeeld uit ‘De zevende functie’ is ‘Killing an Arab’ van The Cure. Dat nummer krijgt zelfs een duistere en profetische betekenis in het boek…      

CE: Hoe krijg je dat hele netwerk van wat zich in 1980 afspeelde en wat je er als romanschrijver aan toevoegde samen? Hoe ziet je werkruimte eruit?

Binet: Ik lees en ik schrijf en ik lees en ik schrijf. Ik heb mijn rekken. Filosofie. Politiek. Ik organiseerde ook per locatie in de roman. Alles rond Venetië op een rek. Daarnaast stelde ik ook mappen samen. Een map met citaten die ik zou gebruiken, een map voor mijn compositie, …

CE: Je speelt in het boek een spel met informatie. De lezer informatie verschaffen en het personage in het ongewisse laten en omgekeerd. Niet toevallig beschrijf je in ‘De zevende functie’ een poppenspel. Alsof je ook je eigen lezers wil laten schreeuwen: “Pas op! Achter u!”

Binet: In Frankrijk hebben we het personage Guignol, oorspronkelijk ontstaan als populair vermaak voor de arbeiders in Lyon. Guignol had toen een belangrijke sociale dimensie. Nu heeft het iets van een belediging. Traiter quelqu'un de guignol betekent nu iemand als een clown behandelen. Als kind bezocht ik geregeld het Théatre des Marionnettes du Luxembourg. Het poppenspel in mijn roman is een soort spiegel voor Philippe Sollers die ik in zekere zin satirisch beschouw als een ‘guignol’. Anderzijds valt het niet te ontkennen dat ook de personages in mijn roman in zekere zin existentiële, metaforische marionetten zijn. On est tous des marionnettes 'at some point'. All the world’s a stage.   

CE: Tot slot: wat als Laurent Binet gefictionaliseerd werd? Wie zou die roman van jou mogen schrijven?

Mijn favoriete levende schrijver is Bret Easton Ellis. Maar ik denk niet dat het een goed idee is om een personage in één van zijn boeken te willen zijn.

CE: Geen zorgen. Het leven is geen roman. Toch?   

Foto: Alex de Groot