Bernard Dewulf. “Ik maak van mezelf een personage”

Interview met Bernard Dewulf. “Ik maak van mezelf een personage”

“Hoe laat is ’t aan den tijd?” vroeg P.C. Boutens zich zo’n honderd jaar geleden af. Zijn vraag kreeg een plaats op de eerste bladzijde van 'Late Dagen' omdat ze, net als het boek zelf, een prachtige melancholie inhoudt. “Hoe laat is ’t aan den tijd?” Het antwoord van Boutens: “’t Is liefdesuur”. Tijd om lief te hebben en te koesteren. Om ons te verwonderen over de schoonheid van de eenvoudige dingen om ons heen. En dat alles vanuit het besef dat onze dagen geteld zijn en dat de tijd, helaas, altijd wint.  

CE: Kan literatuur een manier zijn om de tijd stil te zetten?

Ja. (pauze) Al maak ik mij geen illusies. Schrijven is dan misschien geen vorm van bezwering, het is in elk geval een poging tot bezwering. Het medium taal is een middel waarmee ik probeer om te gaan met dat moeilijke verschijnsel dat tijd wordt genoemd.

CE: Het gevecht met de tijd is in 'Late dagen' prominenter aanwezig dan in 'Kleine dagen'.

'Late dagen' bevat een stukje dat gaat over één van mijn angsten, namelijk het feit dat mijn kinderen het huis uit groeien. Letterlijk dan. Ik weet wel dat zoiets onzin is, maar aan de hand van de taal kan ik die angst ombuigen tot een soort absurde beeldspraak en dat helpt me om ze een plaats te geven. Taal als een soort vluchtheuvel. In het volle bewustzijn dat het tevergeefs is.

CE: De tijd wint altijd. Lijd je daaronder?

Vandaag nog kreeg ik een mail van mijn beste vriend waarin hij me schreef dat hij voor het eerst in 2017 zijn gras zou maaien. Ik was hem voor geweest, mijn gras was al gemaaid. Dat soort mails wisselen wij uit. Maar hij voegde daar meteen aan toe: “Het zou de laatste keer kunnen zijn.” Dat besef begint zich op mijn leeftijd natuurlijk op te dringen en ik denk dat dat de kern van 'Late dagen' is.

CE: Heeft die kern ook niet met verwondering te maken?

Verwondering moet inderdaad één van de drie of vier kernwoorden zijn in beide boeken. Ik vind verwondering ongelooflijk belangrijk. In 'Kleine dagen' beschreef ik vooral mijn kinderen tijdens de jaren waarin verwondering voortdurend plaatsvindt. In 'Late dagen', waarin diezelfde kinderen pubers worden, wordt voelbaar dat die verwondering stilaan verdwijnt. Dat merk ik ook bij mezelf. Het is een dagelijkse inspanning, een dagelijkse opdracht om verwonderd te blijven op alle mogelijke gebieden. Dan heb ik het zowel over Het Journaal, over seks en over kinderen als over je job. Die dagelijkse opdracht is voor mij noodzakelijk om de dagen door te komen en om een antwoord te bieden op de banaliteit en de trivialiteit in deze wereld. Verwondering is voor mij een overlevingsstrategie.

CE: Kijk je dan met andere ogen naar de werkelijkheid?

Nee, ik denk niet dat ik de dingen anders zie, maar ik giet ze wel in taal. Op die manier komt er als het ware een soort taligheid over de werkelijkheid heen.

CE: De taligheid van de poëzie?

Misschien wel, maar poëzie is zoveel meer dan een dichtbundel. Sneeuw is poëzie. Beeldende kunst is poëzie. Proza kan poëzie zijn. Het is een heel breed begrip. Er zit bijvoorbeeld erg veel poëzie in mijn eigen kat. Ik kan er uren naar kijken om dan vast te stellen: “Dat kan geen enkele dichter.” De vrouw van de krantenwinkel waar ik altijd mijn sigaretten koop was er –na al die jaren- achter gekomen dat ik boeken schrijf. Ze heeft zelf kinderen en een paar weken geleden kocht ze 'Kleine dagen'. Toen ik nog een keer binnenliep om sigaretten te kopen, zei ze: “Ik heb uw boek proberen te lezen, maar het is te moeilijk voor mij. Ik moet elke zin drie keer lezen.”

CE: Schrijf je moeilijke boeken?

Ik denk niet dat ik bijzondere opinies, inzichten of filosofieën weergeef. Ik schrijf op wat iedereen meemaakt. Bovendien hanteer ik een medium dat iedereen elke dag gebruikt. De grote uitdaging voor mij is om me in dat medium te onderscheiden. 

CE: Ben je sinds 'Kleine dagen' als schrijver verouderd?

Ik stelde op een bepaald moment vast dat ik, na ‘Kleine dagen’, opnieuw bezig was met het beschrijven van wat zich in mijn gezin, in mijn huis, in mijn straat voordeed en nu zijn ook die stukjes gebundeld. Maar ‘Late dagen’ is meer beschouwend dan zijn voorganger. Zo bevat de bundel dit keer ook een aantal essays, onder meer over verzoening en over schaamte. Dat beschouwende zal inderdaad wel met de leeftijd te maken hebben.  

CE: En ook de kinderen zijn ouder geworden. Ze hebben ondertussen een leeftijd bereikt waarop ze de observaties van hun vader kunnen lezen en begrijpen. Hebben zij er ooit last van ondervonden dat je over hen schreef?

De laatste jaren heb ik het minder vaak over hen. Als je over je kinderen schrijft in de lagere school kan je ervan uitgaan dat klasgenootjes die dingen niet lezen. Maar ondertussen zijn het pubers en zijn er sociale netwerksites. Hoe theatraal en hoe interessant de puberteit ook is –man, daar had ik stukjes over kunnen maken!- ik heb beslist om er niet over te schrijven.

CE: En over je ouders?

Je begint pas over je eigen ouders na te denken als je zelf kinderen hebt. Nu mijn kinderen groter worden, denk ik bijna elke dag terug aan hoe mijn ouders de dingen aanpakten. Natuurlijk ga ik anders om met mijn kinderen dan mijn ouders met mij. Knuffelen. Het uitspreken van gevoelens, gedachten en dromen. Ik kan bijvoorbeeld ook, anders dan bij mij eigen vader, rustig met mijn zoon heel erg ironisch doen over mijn gazon. Hoe minder er uitgesproken wordt tussen ouders en kinderen, hoe meer vragen je later stelt. Dat zijn vragen die mij soms bespoken.

CE: Wat vinden je kinderen van jouw boeken?

Simpel: ze lezen ze niet.

CE: Vind je dat jammer?

Ik hoop natuurlijk wel dat ze ooit, over 20 jaar -als ik er niet meer ben- bijvoorbeeld, mijn boeken eens vastpakken en lezen.

CE: Als een soort talig fotoalbum?

De boeken van Douwe Draaisma, een Nederlandse psycholoog die over het geheugen schrijft, hebben me ingepeperd hoe verraderlijk het geheugen is, hoe het ons voortdurend beliegt en bedriegt. Wat zou dat dan over 20 jaar niet zijn?

CE: Zijn de taferelen die je beschrijft dan geen weergave van de werkelijkheid?

Soms choqueer ik daar lezers mee, maar zeker de helft van wat ik schrijf is fictie. Alles wat in mijn boeken staat, is gebeurd, maar het is niet gebeurd zoals ik het beschrijf. Ik voeg er de taal aan toe. Ik maak er een verhaaltje van.

CE: Maar je vertrekt steeds vanuit de werkelijkheid.

Ja, maar ook daar is taal weer een belangrijk element. Of ik nu over Bart de Wever schrijf of over mijn kind of over krakers, ik heb altijd die eerste zin nodig. Het onderwerp zelf is in die zin misschien zelfs bijkomstig.

CE: En ook de laatste zin blijkt een belangrijke. Je stukjes eindigen vaak met een pointe, met een zin die nazindert.

Dat heeft te maken met het feit dat ik columns schrijf voor een krant. Een gedicht dat in een bundel gepubliceerd wordt, zal door de lezer verschillende keren opnieuw gelezen worden. Een stukje in een krant lees je één keer. Lezers die een stukje twee keer lezen zijn vrij uitzonderlijk. De Standaard, waar ik nu voor schrijf, heeft 300 000 lezers. Dat zijn heus niet allemaal literaire mensen. Die toch kunnen bereiken, zonder te moeten vervallen in platitudes, dat is voor mij de uitdaging. En daar helpt een pointe bij. Schrijven is immers, net als koken, gebruik maken van trucjes. Zonder daarin te overdrijven.  

CE: Hoe lang duurt het om zo’n stukje helemaal af te werken?

Ik werk er de hele dag aan. Mensen die niet schrijven, kunnen zich dat moeilijk voorstellen en dat begrijp ik ook wel. Je zou denken dat je na het schrijven van 1000 stukjes wel weet hoe het moet. Maar dan wordt het pas moeilijk omdat je jezelf niet mag herhalen en de lezer moet blijven boeien.

CE: Kristien Hemmerechts biechtte ooit bij Piet Piryns op dat er een groot verschil was tussen de Herman de Coninck zoals die in zijn eigen gedichten opdook en de Herman de Coninck uit de werkelijkheid. In hoeverre komt de observator uit 'Kleine dagen' en 'Late dagen' overeen met Bernard Dewulf?

Meer nog dan stukjes uit de werkelijkheid heb ik stukjes taal gebundeld. Ik maak van mezelf een personage om een toeschouwer te kunnen zijn van mijn eigen intimiteit. De kinderen, de vrouw, de tuin, het huis, … Het zijn allemaal personages. Het zijn schaakstukken waar ik mee speel. Met het nodige respect en met de nodige liefde. Anderzijds is elke vorm van schrijven, elke vorm van scheppen een soort misbruik van je omgeving.

CE: Maar ben je, net als dat personage uit je boeken, een goede vader?

Dat vraag je beter aan mijn kinderen.

CE: Als de gelegenheid zich voordoet... Hartelijk dank voor dit gesprek.