aNoo

Interview met aNoo

Hoe ‘Sinipiika’, het tweede album van de Brusselse band aNoo, niet door onze radar werd opgepikt toen het in augustus uitkwam, is ons een raadsel. Een lekker jazzplaatje is het, met Finse en Brusselse geuren en kleuren. Geen erg, we pikken in tijdens de Belgische tournee van de band en slaan een babbeltje met de Finse frontvrouw Anu Junnonen, even voor hun optreden in de Brusselse Beursschouwburg.

Ze klinkt wat verkouden, en ze bevestigt al vlug ons vermoeden. ‘Het is natuurlijk niet optimaal, maar dat zijn van die dingen die voorvallen’, antwoordt ze op de vraag of dat niet hindert bij het zingen. Dat zingen heeft ze danig onder de knie.

Anu Junnonen: Ik begon muziek te maken toen ik zes was. Eerste speelde ik piano, dan dwarsfluit. Later ontdekte ik de jazz en heb ik saxofoon geleerd. Zingen deed ik ook altijd al, maar mijn stem echt als instrument gebruiken, dat leerde ik pas toen ik twaalf jaar geleden naar België kwam. De ontmoeting met David Linx (een gelauwerde Belgische jazz-zanger, red.) aan het conservatorium van Brussel speelde daarin een grote rol. Hij was iemand om naar op te kijken; die boost had ik nodig. Nu geef ik zelf ook les aan een academie in Ekeren.

Jazz associëren we niet meteen met Finland. Zit er veel Finland in je laatste album?

Anu Junnonen: Oh, maar er is een enorm goeie jazzscene in Finland. Mijn plaat heeft deels Finland in zich. Je hoort echt meteen dat het anders klinkt als ik in het Fins zing. Je zit meteen in een andere sfeer met melancholische thema’s als de natuur en de liefde. Maar er zit zeker ook Brussel in het album. Ik denk aan trein- en busstations. ‘Sinipiika’ is een mix van alle invloeden en sferen. Je kan een beetje reizen.

Een van die invloeden is elektronica. De laatste track op ‘Sinipiika’ is zelfs een remix van Buscemi.

Anu Junnonen: Onze labelbaas had contacten met Buscemi en dacht dat het misschien een goed idee was om hem een remix te laten maken. Het is echt super om een artiest met je muziek te zien knutselen.

Voor de tweede plaat wilde ik de manier van liedjes maken en bewerken een beetje openbreken. Daarom heb ik iemand gezocht die met elektronica bezig was. Die nieuwe ideeën brachten een frisse wind door onze muziek. We werkten ook met een producer die zei of hij een nummer af vond of niet. Het proces duurde veel langer dan met onze debuutplaat, maar het is leuk om je muziek door verschillende handen te zien gaan. Het is zo gewoon veel interessanter en je krijgt een eindresultaat met verschillende lagen.

Brengen jullie die elektronica ook live?

Anu Junnonen: Live gebruiken we één sample, voor de rest doen we alles akoestisch. Anders wordt het qua productie te groot. Live is het moeilijker om de juiste balans te vinden. Op ons album gaat het ook maar om een subtiel laagje elektronica.

Je muzikanten hebben heel wat nevenprojecten. Zijn ze vaste leden van de band?

Anu Junnonen: We zijn een echte band. Ik breng wel composities, ideeën of arrangementen aan, maar de uiteindelijke versies maken we samen. Het is niet zo dat ik commandeer dat het zus en zo moet, want het zijn enorme getalenteerde muzikanten die allemaal creatieve ideeën hebben en ik zou een idioot zijn om die niet te benutten.
Ook live zie je wel dat ik de frontvrouw ben, maar ieder heeft zijn eigen ruimte om te spelen. Dat komt natuurlijk door de jazz. Er is vrijheid, een aparte attitude.

Denk je aan doorbreken?

Doorbreken zou fijn zijn, maar dat kan geen doel zijn. Mijn muziek is niet meteen easy-listening. Bij momenten is ze melodisch maar qua structuur is ze ver verwijderd van de standaard. De single ‘How to keep crazy love’ passeert al eens op Radio 1 en Klara. Doorbreken kan dus wel, maar ik heb niet het gevoel dat het mijn beslissing is. Ik maak gewoon wat ik zelf goed vind op dat moment. Zolang ik er zelf maar achter sta.