Ann De Craemer

Interview met Ann De Craemer

“Ik heb waarschijnlijk nog nooit één zin pure fictie geschreven.”

In haar derde roman schrijft Ann De Craemer (33) – schrijver en columniste voor De Morgen en HP/De Tijd – zonder remmingen over haar onvoorwaardelijke liefde voor haar grootmoeder Paula. Meer dan vijftien jaar duurde het vooraleer ze toe was aan een boek over de “koningin van de eenvoud”, een verhaal waarvan de taal en de opbouw het ingetogen leven van haar oma eren. Dat ze uitgerekend in de Gentse Vooruit een gloedvol betoog houdt voor de vergane glorie van het platteland springt in het oog. Die oprechtheid verrast niet: in ‘Kwikzilver’ wijkt ze geen duimbreed af van de realiteit.

Niet het juiste milieu

“De dankbaarheid die ik voel nu haar verhaal op papier staat, overweldigt me. Ik heb haar huis kamer voor kamer heropgebouwd, de voldoening dat ik daarin geslaagd ben is immens. Maar de publicatie maakt me ook bang. Mijn familie leest mee, en die heeft evengoed een welomlijnd beeld van hoe mijn oma was. Ik schrijf ook een nonkel een tegendraads karakter toe, en hoewel ik vond dat ik dat moest doen omdat hij nu eenmaal zo was, had ik wel wat schrik voor de reacties. De uitdaging tijdens het schrijven was om haar te boetseren op een manier die ook voor de andere mensen herkenbaar is. Maar kijk, tot nu toe omarmt ook mijn familie het boek, dus dat is een geruststelling.”

“Onmiddellijk na haar overlijden, ik was toen vijftien jaar, was het voor mij onvermijdelijk ooit over haar te schrijven. Uit schrik om arrogant over te komen heb ik er nooit met iemand over gesproken. Ik zat niet in het milieu om dergelijke ambities te koesteren: mijn vader was arbeider, mijn moeder huisvrouw. Dat mijn zus en ik konden verder studeren was een zegen voor hen. Ik vond dat ik hen al genoeg had aangedaan door een lerarenopleiding, de weg die bijna iedereen uit mijn omgeving insloeg, in te ruilen voor studies journalistiek.” (lacht)

Terug naar huis

“Mijn oma heeft na haar gedwongen verhuis naar een serviceflat geprobeerd er het beste van te maken, maar jezelf herprogrammeren na een mensenleven op dezelfde plek, daar geloof ik niet in. Uiteindelijk heeft ze mooie jaren gehad in haar flat. Eigenlijk is mij hetzelfde overkomen toen ik naar Brussel verhuisde. Amper 26 jaar was ik toen, maar ik heb er nooit de draai gevonden die ik er gehoopt had te vinden. Misschien heb ik het niet lang genoeg volgehouden. In die zin is mijn boek vanuit een zeer persoonlijke ervaring geschreven. Pas nadat ik ben teruggekeerd naar de streek waar ik ben grootgebracht, hervond ik mijn oude identiteit. Als je in een bepaalde omgeving bent opgegroeid, kun je die niet zomaar van je afschuiven. Het klinkt ongelooflijk naturalistisch, maar ik kan het niet anders verwoorden.”

Philip Roth

“Het boek zegt ook iets over de teloorgang van het platteland in Vlaanderen. Er wordt maar verkaveld en verder geïndustrialiseerd. Bedrijven zijn na het bankroet onbezet en er is niemand die er nieuw leven inblaast, zoals dat het geval is voor de plek waar mijn grootmoeder vroeger woonde. Ik heb het daar moeilijk mee. Dat ik over het platteland schrijf, wordt verketterd door bepaalde recensenten. Dirk Leyman (recensent bij De Morgen, nvdr) adviseerde mij tijdens een interview na ‘De seingever’ om ook eens over de stad te schrijven, ten slotte ‘het kloppende hart van de samenleving’. Uit een soort angst gaf ik hem toen gelijk, en zweerde ik ter plekke mijn roots als decor van toekomstige verhalen af, maar ik meende dat helemaal niet. Ik ben kwaad dat ik toen eventjes gezwicht ben voor zijn vermanende vinger.”

“Een boek over het Vlaamse platteland wordt vlug afgedaan als Heimatliteratuur, terwijl een Amsterdammer die een boek schrijft dat zich volledig afspeelt in de wijk van zijn jeugd, net zo goed past in die traditie. Ik vind dat redelijk kortzichtig. In Zomergasten verwoordde David Van Reybrouck het enigszins klef - ik zou het zelf niet zo onder woorden brengen -, maar daarom niet minder treffend als volgt: “Je moet diepgeworteld zijn om ver te kunnen reiken met je takken.” Ik herken me daar wel in. En het is ontroerend dat een man die al zoveel heeft bewezen toch pleit voor een opwaardering van onze roots.”

“Ik heb soms het gevoel dat ik me moet verdedigen omdat ik over het platteland schrijf. Dat ik naar een verdedigingsmodus moet overschakelen als het thema weer eens wordt opgediend. Ik ben een grote fan van Philip Roth, van wie het oeuvre algemeen beschouwd wordt als universele literatuur. De biografie van Philip Roth die net verscheen is een openbaring: zo goed als alles waarover hij schrijft is terug te brengen tot een gebeurtenis in zijn leven. Veel van zijn verhalen spelen zich af in de wijk in Newark waar hij is opgegroeid. En eigenlijk gaat dat ook op voor het intieme proza van Knausgård. Alleen associeert niemand hen met Heimatliteratuur. Als iemand bij ons hetzelfde doet, schieten veel Vlaamse recensenten in een kramp.”

Niets dan de feiten

“Het idee om mijn verbeelding aan het werk te zetten heb ik al vrij vroeg laten varen. Het zou een oneer zijn voor mijn grootmoeder als ik het toch anders had opgevat. Als in bepaalde zaken toch fantasie zou zijn geslopen, heb ik daar haast spijt van. In de literatuur lees je vaak dat onze herinneringen onbetrouwbaar zijn. Ik ga daar hier en nu tegen in: mijn herinneringen zijn feilloos (lacht).”

“Ik wilde zo dicht mogelijk bij de realiteit blijven. Waren de vloertegels effectief rood, geel en groen? Mijn tante uit Antwerpen, ondertussen zelf een eind in de tachtig, kon zich nog precies het kleurenpalet van de vloer herinneren. De lezer weet dat natuurlijk niet, het kon evengoed verzonnen zijn. Maar naar mijn gevoel moest het echt zijn, ik moet er zelf in kunnen geloven. In die zin is het geen roman zoals velen een roman zien. Nu ja, het hangt er maar vanaf wat je verstaat onder een roman.”

“Ik denk wel dat ik nog volbloed fictie ga schrijven, iets wat ik tot nu toe nog nooit heb gedaan. In mijn volgende boek wil ik de taal laten regeren, maar dan vanuit een fictieve invalshoek. De ik-figuur valt in alles wat ik geschreven heb samen met mijn persoon, dus ook in mijn columns voor De Morgen. Ik ben benieuwd of en hoe het ook anders kan. Misschien wordt mijn volgende boek een pamflet over de verloedering van taal, met satirische weerhaakjes. Ik wil weten hoe het voelt om de feiten te laten voor wat ze zijn, en ook of ik dat wel kan. Ik kan je verzekeren dat ik sta te popelen.”

Het graan van Brands

In ‘Kwikzilver’ schrijft De Craemer over het wereldnieuws als geruis in de achtergrond van het leven van haar oma. “Voor ons ligt dat anders, de ellende van de conflictgebieden komt voortdurend bij ons binnen. Mijn grootouders lazen Het Laatste Nieuws en keken naar het Journaal, hun enige twee vensters op de wereld. Het gaf hen een soort rust die wij niet kennen. Hun leven was afgestemd op de dagelijkse routine, op ’s avonds vertellen hoe de dag was geweest. Hoewel ik het niet heb meegemaakt, denk ik dikwijls dat ik in het verkeerde tijdvak ben geboren. Ik kan me perfect voorstellen dat ik zo’n leven fantastisch zou gevonden hebben.”

“Wim Brands (dichter, journalist en presentator bij VPRO, nvdr) vertelde me over het vaste patroon van zijn grootvader: iedere avond na het werk zat hij op een stoel en keek naar het heen en weer wiegende graan. Toen hij zijn grootvader confronteerde met zijn idee daarover, dat iedere dag een herhaling was van de andere, zij hij dat het graan er iedere dag anders uitzag. Dat hadden mijn grootouders ook, en ik ben daar jaloers op. We zijn geëngageerder geworden, maar tegelijk zijn we ook afgestompt. We doen allemaal alsof we betrokken zijn en om dat te illustreren gooien we een emmer water over ons hoofd, maar in feite is iedereen vooral met zijn eigen kleine wereldje bezig.”

Hart en handen

“Het ligt in mijn bedoeling een zo breed mogelijk publiek te bereiken. Als je me vraagt welke lezer ik in gedachten heb, dan vind ik dat zowel een ervaren literatuurliefhebber als mijn ouders van mijn boeken moeten kunnen genieten. Ze lezen wel eens een boek, maar niets wat gemeenzaam als de grote literatuur beschouwd wordt. Daarom vraag ik me bij ieder woord af of iedereen het wel zal begrijpen. Dat heeft ook met je afkomst te maken. Ik vermijd om die reden ook metaforen.”

“Van Reybrouck had het in Zomergasten ook over de Nederlandse literatuur en hij zei dat er tegenwoordig teveel romans worden geschreven door mensen waarvan je ziet dat ze Nederlandse literatuur hebben gestudeerd. Opnieuw moet ik hem bijtreden. Al te vaak zie je de hand van de auteur die alles uit de kast haalde en een overontwikkelde plot uitwerkte. Er zit te weinig hart en handen in onze poëzie, de jonge dichters zijn bang voor de grote emoties in hun gedichten. In de Perzische poëzie, die ik heb leren kennen door mijn reis in Iran, spreken ze niet over pathos wanneer iemand de liefde met lyrische uithalen evoceert. Die bezieling mis ik in onze cultuur.”

Bezieling en eerlijkheid is waar Ann De Craemer voor staat. Zonder dat ze die dure woorden zelf zou uitspreken, is ze ontegenzeggelijk een exponent van the New Sincerity. Zelfs als een ondergaande zon haar ogen tijdelijk gijzelt, schiet haar openhartige luim er niet bij in. Wie ze is, valt volledig samen met waar ze vandaan komt.

Foto: Koen Broos