“Mijn hart ligt bij de Grafische Roman”

Interview met “Mijn hart ligt bij de Grafische Roman”

Roelof Wijtsma is auteur van onder meer de historische avonturenstrips ‘Arin’ en ‘Ivo en de Vikingszoon’, illustreert kinderboeken, ontwerpt CD-hoesjes en maakt cartoons. Maar hij heeft ook “eigen werk”. In 2004 verscheen zijn eerste striproman, ‘Getekend’, bij Oog&Blik. Aan het indrukwekkende ‘Doolhof van Eeden’, dat zopas verscheen, werkte hij dus maar liefst tien jaar.

Roelof Wijtsma: Klopt, maar dat is gerekend vanaf de eerste serieuze aantekeningen en schetsen. In die tijd was ik nog druk met Arins maken en wennen aan het vaderschap. Ik denk dat ik de eerste Doolhofplaat maakte rond 2005. Verder geldt tot de dag van vandaag dat ik overdag mijn brood moet verdienen met illustratiewerk en strips, waaronder Arin, waarna ik ‘s avonds pas m’n ‘Doolhof’ in kon. Dus die jaren hebben voornamelijk betrekking op de avonduren.

CE: Had je op voorhand een welomschreven verhaallijn?

RW: Ik heb lang geschreven en herschreven aan het scenario. Dat heb ik ook steeds laten lezen aan anderen. Maar eigenlijk kon niemand er iets zinnigs over zeggen (lacht). Alleen Frans Le Roux (scenarist van de ‘Arin’-strips, nvda) opperde dat de kracht van het verhaal zich pas zou openbaren in de beelden. Ik denk dat hij gelijk had. Tijdens het tekenen heb ik het scenario dan ook regelmatig aangepast. Zelfs tijdens de realisatie van de laatse pagina’s heb ik nog dingen veranderd. Pas later zag ik dat scènes die de aanleiding waren geweest om aan dit project te beginnen onderweg gesneuveld waren...

CE: Het tekenwerk oogt nochtans eerder sober.

RW: Dat is vaak eerder het resultaat geweest van steeds het overbodige ‘weghakken’. Ik kopieërde mijn schetsen, bewerkte ze, kopieërde ze opnieuw enzovoort, net zolang tot het resultaat de juiste gevoeligheid had zonder de aanvankelijke robuustheid te hebben verloren. Het moest steeds meer gecomprimeerd, gedistilleerd, verdicht. En toen ik over de helft was, moest ik weer terug om het eerste gedeelte aan te passen. Een beetje ‘blind’ werken was het. Soms leverde het ook direct een verrassend mooi resultaat, dat was pure magie. Maar mijn processen gaan nu eenmaal langzaam. Dat geldt trouwens vooral voor m’n vrije werk. Een ‘Arin’-deel maakten Frans en ik op een jaar tijd.

CE: Waardoor wordt je werk geïnspireerd?

RW: Films, beeldende kunst, muziek - tijdens het werken aan ‘Doolhof’ draaide ik steevast en negen jaar lang ‘Harmony of the Spheres’ van Joep Franssens. Wat ik wil van een kunstwerk, of het nu film, muziek of een strip is, is dat het me een andere wereld in trekt. Ik noem m’n boek dan ook wel eens een ‘symbolistische roadcomic’.

CE: Je omschreef het ook als “mijn imaginaire reis naar het Paradijs”.

RW: Dat heeft eigenlijk betrekking op de reis die ik in 1999 maakte naar Chili, het land van mijn kindertijd. Ik had gehoopt een gevoel van thuiskomen te ervaren maar het tegengestelde was waar. Eenmaal thuis, en dat vond ik het ergste, kon ik dat gevoel niet onder woorden brengen. Toen besloot ik het met beelden te proberen.

Die religieuze toon komt niet uit de lucht vallen. Ik heb behoorlijk wat jaren rondgezocht in verschillende kerken. Toch denk ik dat de religieuze aspecten in het boek niet per se christelijk zijn: het zijn universele beelden. Het paradijs, de engel of demon, dat komt in veel culturen terug. En het paradijs als beeld van de kindertijd ligt ook voor de hand.

CE: Met wat voor gevoel hoop je dat de lezer achterblijft na het lezen van je boek?

RW: Ik ben niet uit geweest op een bepaald gevoel bij de lezer, geloof ik. Het grappige is dat het verhaal weer als een boodschap aan mezelf terugkomt door de reacties van mensen die ik krijg. Dan snap ik weer beter wat er gebeurd is en waarom het zo aanvoelde. In dat opzicht heeft ‘Doolhof’ al opgeleverd waar ik op hoopte.

CE: Je werkt voornamelijk als tekenaar van humoristische en avonturenstrips, als illustrator en als cartoonist. Moest je je ei echt kwijt in ‘Doolhof van Eeden’?

RW: Voor mij valt mijn werk uiteen in twee delen: het werk voor een inkomen, waar toch ook ‘Arin’ en ‘Ivo’ bij horen, en mijn vrije projecten. Hoe leuk ik ‘Arin’ en ‘Ivo’ ook vind om te maken, mijn hart ligt bij de ‘Grafische Roman’, om het zo maar te noemen. Als ik de vrije hand krijg, maak ik zoiets als ‘Doolhof’. Daarin kan ik experimenteren, spelen met materialen en, inderdaad: mijn ei kwijt. ‘Doolhof’ móest ik maken, om heel persoonlijke redenen.

CE: Heb je al een nieuwe striproman op de planning staan?

RW: De afgelopen tien jaar heb ik ook steeds ideeën genoteerd, stukken verhaal geschreven en voorbereidende schetsen gemaakt. Zo zijn er drie à vier verhalen ontstaan, die allemaal wel levensvatbaar lijken. Van één ervan heb ik al een twaalftal geschilderde platen in een la liggen, maar die techniek is zó arbeidsintensief.... Ik heb dus genoeg ideeën, maar er liggen ook een aantal klussen op de afdeling ‘broodwerk’ te wachten... Maar zodra het stof van ‘Doolhof’ is gaan liggen, hoop ik weer een andere wereld nieuw leven in te gaan blazen.

CE: Iets om naar uit te kijken dus!