Born to be blue

Een blue note onder de biopics

Wie was Chet Baker? Was hij de drugsverslaafde vrouwenzot die biografen postuum van hem hebben gemaakt? Was hij integendeel de gevoelige ziel die zich in zijn nummers openbaart? Of heeft zijn hele leven zich tussen de uitersten van zijn verslavingen en zijn breekbaarheid afgespeeld, als een tragisch gevecht tussen ontwenning en tederheid – een strijd die nooit door de zachtaardigheid kan gewonnen worden?

De zanger-trompettist zal het ons zelf in ieder geval niet meer vertellen. Toen hij in mei 1988 uit het raam van een Amsterdams hotel tuimelde, brak de stoep zijn val. Volgens sommigen stierf die avond een levende legende, volgens anderen was Chet sinds de jaren ’60 al een stille dood gestorven. ‘Born to be blue’ werpt als biopic een licht op hoe de muzikant na zijn eerste successen met zijn tanende glorie omging, en hoe hij er alles aan deed om een comeback te kunnen maken.

De aftiteling leest dat Baker in de jaren ‘70 een tweede adem vond en nadien nog enkele van zijn meest waardevolle muziek inblikte. Die uitspraak is vatbaar voor discussie, want het zwaartepunt van Bakers carrière ligt onmiskenbaar in de jaren ’50, toen hij mee aan de wieg stond van wat als West Coat Jazz de geschiedenis is ingegaan. Hoe dan ook is dat de meest interessante periode van Bakers leven. Zijn stilistische ontwikkeling, zijn razendsnel toenemende populariteit, zijn samenwerkingen met heel wat tot de verbeelding sprekende namen, zijn wat geïsoleerde positie binnen het jazzlandschap van die tijd en uiteindelijk de tol die hij moest betalen voor zijn roem: het is ongetwijfeld voer voor een geweldige verfilming.

Regisseur Robert Budreau ziet dat anders. Hij zoomt in op de periode waarin de man het verval van zich af probeert te schudden en zijn tanende glorie tracht op te poetsen. Dat is een wat veiliger keuze, maar op ruim anderhalf uur mag er gerust meer uit de doeken gedaan worden. ‘Born to be blue’ zapt van locatie naar locatie, flirt met wat flashbacks, licht een tipje van de sluier van Bakers psychologie, zonder de mythe echt te ontleden. Een gemiste kans, te meer omdat de film de muzikaliteit mist, het improvisatietalent waarvan Bakers leven het exempel bij uitstek was.

Dat ‘Born to be blue’ niet helemaal werkt, ligt niet aan Ethan Hawke. Die zet immers een ongeduldige, ik-gerichte, verbeten en tegelijk fragiele Chet Baker neer. Hawke zingt ook ongewoon kwetsbaar. Carmen Ejogo is verder van een hartroerende schoonheid, een fysiek die zich verderzet naar de geest van haar rol. Qua soundtrack is de film overigens best geslaagd, hoewel er meer van Bakers eigen interpretaties hadden mogen opduiken, kwestie van de authentieke toets nog te vergroten.

Het voornaamste pijnpunt van de film is het scenario, dat te weinig inzicht geeft in de artiest voorbij de feiten. Meer dan menig muzikant probeerde Baker een levenskunstenaar te zijn, iemand die samenviel met de poëzie van zijn muziek. Net die poëzie ontbreekt. ‘Born to be blue’ suggereert dat Bakers bestaan een optelsom was van een verworpenheid in zijn jeugd, een verzanding in het clubleven, het verderf van alle slechte gewoontes die zich in nachtelijke uren voltrekken en een koppigheid die hem uiteindelijk terug op de been bracht.

Het onbenoembaar zinnelijke, het minzame en het lieftallige: ook dat zijn ingedriënten geweest van de duizelingwekkende cocktail van Bakers leven. En zonder die wezenlijke karakteristieken is een portret van Chet gedoemd om als ‘onaf’ ervaren te worden.

Details Nu in de zalen
Een blue note onder de biopics
Regie: Robert Budreau
Met o.a.: Ethan Hawke, Carmen Ejogo, Callum Keith Rennie