Hans Verhagen, Zwarte gaten

Oorlog zonder vrede

In ‘Zwarte gaten' profileert Hans Verhagen (1939) zich als een ontmaskeraar van illusies. Hij lijkt zich te wenden tot mensen die een pantser hebben gekweekt tegen de waanzin van de tijd; dat ze zich moeten ontdoen van zelfverloochening en eens goed om zich heen moeten kijken. De poëzie drijft in negatieve connotaties die hij uitspuwt over een Hobbesiaanse wereld waarin oorlogen woeden en mensen enkel met zichzelf bezig zijn. Toch wordt er een beperkte ruimte voorbehouden voor meer gevoelige passages. Verhagen besteedt veel zorg aan woordkeuze en (mede)klinkerspel en maakte grafisch werk voor deze uitgave.

De woorden ‘zwarte gaten' keren regelmatig terug in de gedichten. In de natuurkunde is een zwart gat een object in het heelal waaruit geen licht of materie kan ontsnappen, maar het is niet enkel dit waar Verhagen op doelt. Zwarte gaten kunnen ook wijzen op hiaten in het geheugen. Dat kan buiten je controle om zijn, maar evenzeer omdat je er liever niet aan denkt, omdat het te confronterend of ontnuchterend is. Het lijkt zinvol om je tijdens het lezen ook te laten leiden door die laatste definitie, want Verhagens bundel engageert zich door de zwarte gaten uit verleden en heden op te lichten. Zijn gedichten zijn recht voor de raap, maar ook zwaar op de hand.

De bundel is opgebouwd uit negen korte cycli en het openingsgedicht ‘Grenspost', waarvan de titel al meteen de oorlogconnotatie oproept. Het gedicht is vrij kenmerkend voor de rest van de opgenomen gedichten: onregelmatig rijm, vrij experimenteel, tamelijk lange verzen, geen sluitend metrum, negatieve betekenissen en oorlog als thema. Taal is heel belangrijk, met herhalingen binnen eenzelfde gedicht, klankspelen en rijm.

‘Chaos van het ogenblik' is de eerste cyclus; titels als ‘Storm' en ‘Terreur' wijzen op het onheil. Het taalgebruik is opvallend met verzen als ‘Honderden der onzen raakten maximaal geminimaliseerd' en ‘De instigator had zich ter voorkoming van stigmatisering / uit de constellatie teruggetrokken [...]' en de oe-klanken in de beginverzen: ‘Hij bloedde stoer, in druppels nonchalant genoeg / om af te schrikken en te worden weggeweeklaagd / door de moeder aller ringeloren; [...].' ‘Automatische profeet', de tweede reeks, is regelmatiger van vorm met telkens terzinen, maar qua inhoud baadt het in dezelfde negatieve spiraal. ‘Wie zijn wij of waar of zijn we iemand anders? / Helemaal nergens is geen mens / die niet gekscheert, kietelt, grient, vernielt'.

Ondanks de ontnuchterende toon is er ook ruimte voor humor, zoals in de vierde reeks ‘Aards bestaan' waarin meisjes in knalgele bikini's niets meer te verliezen hebben. In het derde gedicht van deze korte cyclus neemt de dichter politiek en religie op de korrel, die zich schuldig maken aan liefdesondermijning, verdwijning van wijsheid en universiteiten waar alleen nog bankbiljetgeknisper te horen is. Ook in andere passages wordt duidelijk dat Verhagen het, behalve op politiek en religie, ook niet op de educatie begrepen heeft, zoals in ‘Ratrace van de geest': ‘Ga dat maar aan de kinderen uitleggen: / eerst hun mooiste jaren in een klaslokaal doorbrengen / tot ze van de educatie zijn geconstipeerd, / dan nog 's zich pijnlijk moetende ontdoen van elke les / die ze er hebben geleerd'.

‘Vesting Holland' is met negen gedichten de langste en ook de meest interessante reeks. ‘Hoe je verdween' is een gedicht dat met haar breekbaarheid in schril contrast staat met de hardheid van de andere gedichten. Er zijn ook lichtere passages zoals in ‘helden van mijn tijd' dat begint met ‘De meeste helden van mijn tijd zijn wegens (eigen) sterfgeval / permanent verhinderd / wat niet wil zeggen dat hun levensvatbaarheid vermindert'.

In ‘Ratrace van de geest' schrijft hij: ‘Waar wij kwamen zagen we de prachtigste systemen falen'. Verhagens poëzie past volledig in de postmodernistische lijn van deconstructie. We dolen in een grondloze maatschappij, waarin we met absurditeit, leegte en zinvolheid toch zin aan ons bestaan moeten proberen te geven. Zijn poëzie zet aan het denken, ook door de woordkeuzes die verschillende connotaties oproepen, maar hij gaat te kort door de bocht door nogal wild om zich heen te slaan. Er is weinig plaats voor relativering en hij gebruikt hardheid als uiting van teleurstelling en desillusie. Het mag dus niet verrassen dat hij doemdenkend eindigt met ‘er is geen einde in zicht aan de mensachtigheden / Ik heb m'n gasmasker vast opgezet'.

Details Poëzie
Auteur: Hans Verhagen
Uitgever: Neigh & Van Ditmar
Jaar:
2008
Aantal pagina's:
63