Witold Gombrowicz, 'Met mijn smoel in mijn handen'

Voorbij de waan van het literaire circus

Hoewel Witold Gombrowicz geldt als ‘een van de belangrijkste en meest markante auteurs uit de twintigste eeuw’ ontving hij pas eind 1960 de lof die hij zijn leven lang nastreefde. En toen stierf hij. Helemaal verdwijnen uit het literaire walhalla zal de Pool hopelijk nooit doen, maar het siert uitgeverijen om blijvend aandacht te vestigen op het uitzonderlijke werk van deze auteur. In 2015 gingen zijn romans in herdruk en nu maakte Huub Beurskens voor de al even eigenzinnige uitgeverij Koppernik een nieuwe keuze uit het uitgebreide dagboek van Gombrowicz.

‘Ik schrijf het dagboek met tegenzin. Zijn onoprechte oprechtheid kwelt me. Voor wie schrijf ik? Als het voor mezelf is, waarom gaat het dan naar de drukker? En als het voor de lezer is, waarom doe ik dan alsof ik met mezelf praat?’ De vragen die Gombrowicz stelt aan het begin van zijn dagboek moeten de lezer niet verwarren. Van bij aanvang schreef de auteur zijn bedenkingen neer met de bedoeling om ze te publiceren. Het is dan ook geen dagboek dat drijft op dagdagelijkse banaliteiten, maar een die bestaat uit uitgewerkte stukken tekst die een selectieve en doordachte inkijk geven in leven, werk, en mening van de Poolse auteur.

Een aantal mensen zullen zich wel verslikt hebben in hun koffie toen Gombrowicz startte met de publicatie in 1953. De schrijver spaart zijn tegenstanders niet en vat een groot misprijzen op voor de critici die zijn werk onzorgvuldig lazen. Hij voelt meermaals de noodzaak om bepaalde aspecten van zijn werk te duiden en geeft hen zelfs tips hoe ze hun werk beter kunnen doen. Hierin toont de auteur zich een snode betweter. Hij lijkt zijn tegenstanders op voorhand te willen sturen, of erger, de mond te willen snoeren. Het feit dat zoveel mensen zijn werk verkeerdelijk lezen wringt bij de Pool, maar de schuld daarvoor legt hij volledig bij hen.

Tegelijk stelt hij zich kritisch op ten aanzien van ontoegankelijke poëzie en heeft hij oor naar ‘het oordeel van de domkop’. Maar evengoed stelt hij dat kunst lezen, aanhoren of bekijken hard werken is. Het is een tegenstelling die vreemd aandoet, terwijl het in wezen strookt met het onderzoek dat hij voert naar zijn gedachtegang in het dagboek.

Gelukkig cultiveert Gombrowicz de reflex om zijn eigen grootste criticus te zijn. Zo voegt hij passages toe waarin hij over zichzelf praat in de derde persoon. Dit stelt hem in staat ‘tegelijk te pochen en te ontmaskeren’, maar ook totale ‘onafhankelijkheid’ na te streven. Het is bewonderenswaardig om te lezen hoe kritisch Gombrowicz is voor zichzelf en zijn ideeën, iets waar we allemaal wat van kunnen leren.

Gombrowicz zag het als zijn taak om in te gaan tegen de heersende tendensen van het moment, wat zijn oeuvre bevestigt. Dat hij zich op voorhand wilde indekken tegen mogelijke kritiek neem je er als lezer graag bij. Maar er schuilt ook smart in. De erkenning waar hij op hoopte, kwam te laat. Zijn verachting voor het literaire circus waaraan hij weigerde deel te nemen kan je evenzo vanuit die blik bekijken.

De Poolse auteur kon een tirade afsteken, een theorie onderbouwen, een gedachtegang beargumenteren. Toch smokkelde hij ook schijnbaar nietszeggende notities in zijn dagboek. Een van de laatste toevoegingen leert ons dat hij compote morste. Het zou grappig zijn, mocht het niet zo tragisch zijn. Het voorval speelt zich af kort nadat hij een hartaanval kreeg. Zo’n bekentenis ondermijnt al het voorgaande. Alsof hij met spijt terugkijkt op wat hij verwezenlijkte. Onterecht. Zowel zijn romans als zijn dagboeknotities blijven lezers beroeren.

Details Non-fictie
Originele titel:
Dziennik
Auteur: Witold Gombrowicz
Vertaler: Paul Beers
Samensteller: Huub Beurskens
Uitgeverij: Koppernik
Jaar:
2019
Aantal pagina's:
237