Wessel te Gussinklo, 'Zeer helder licht'

Authentieke achtbaan

Hoe hoger de euforie oplaait als je verliefd bent, des te dieper kan de ellende snijden in het post-liefde-tijdperk. Wessel Te Gussinklo ensceneert in ‘Zeer helder licht’ een achtbaan van emoties. De weelderige stijl rijmt met het grillig gevoelsleven van de protagonist.

Te Gussinklo is wat je noemt een atypische schrijver: bijna twintig jaar ligt er tussen zijn vorige en deze nieuwe roman. Op internet vind je ternauwernood een handvol foto’s van de 73-jarige Nederlander. Naar een eigen webstek, laat staan een twitter-account, is het helemaal vruchteloos zoeken. Maar een anachronistisch schrijverschap kan wel corresponderen met fraaie romans, die les heeft uitgeverij Koppernik, nauw verbonden met uitgeverij Karaat, goed begrepen.

In ‘Verboden tuin’ en de vervolgroman ‘De opdracht’ schetste hij het beeld van Ewout Meyster als een overbewuste, bipolaire adolescent die leeft onder een sociale stolp. Ook in zijn derde roman, hoewel geen coming of age-verhaal, staat een min of meer geïsoleerd personage centraal. Eenendertig is Wander ondertussen en toch overheerst bij hem het gevoel nog nergens te staan in het leven. Dat ligt goeddeels aan de burgerlijke ijkpunten waaraan hij zijn leven aftoetst: het ontbreekt hem aan een diploma, een carrière, een huis, geld en prestige.

Het neerslachtige, wanhopige dat Wander onder de duim houdt, speelt al heel sterk in de eerste regels van de roman: ‘Het was opspringen in mezelf, schoppen, trappen om er vanaf te zijn, wegvluchten, mezelf afstropen, mezelf neerknuppelen om daarna leeg te kunnen zijn, in evenwicht met alles om me heen’. Vrij vroeg geeft de schrijver de kern van het verhaal prijs: Wanders intense gevoelens voor Hanna zetten alles in een warme gloed, maar het recept om de rem op hun liefde te verkruimelen - vooral haar ouders namen hun rol als stoorzenders ernstig, kunnen ze niet ontcijferen.

Ook het licht krijgt van meet af aan een prominente rol toegedicht, ‘hecht en onbeweeglijk’ als het zich aan de zwalpende Wander openbaart op de eerste bladzijde. Het zijn woorden die je niet meteen associeert met licht en toch lijken ze heel sterk een gevoel van onbehagen uit te drukken. Alsof het een onoverbrugbare kloof is, een vijandelijk gedrag dat Wanders plannen dwarsboomt.

De schrijver herneemt geregeld die symbolische rol van het licht, onder meer in wat wellicht de sleutelpassage is van deze roman. Enig mooi beschrijft hij wat Hanna in Wander losmaakt: ‘En soms opeens iets als opveren in mijzelf, ademloos opveren; opveren in mijn bed (…) door iets als een groot verblindend licht dat in mij verrees en toch tegelijk overal om mij heen was. Een zeer helder licht waarin ik keek, een licht voorbij beelden of zichtbaarheden’.

Wat van Wander zo’n interessant karakter maakt is de scherpte van zijn observaties, de betekenis die hij geeft aan wat wordt gezegd tussen twee mensen wanneer ze geen woorden uitwisselen. De beelden die de schrijver daarbij boetseert zijn eigenzinnig: mensen vergelijkt hij met sjablonen, waarmee hij en passant een maatschappijkritische sneer uitdeelt, Hanna’s moeder is 'theemutsachtig' of nog 'poefachtig', jongeren 'hengelstokdun'.

Te Gussinklo evoceert een authentieke, bijna twintigste-eeuwse sfeer. Hij is een vaardige stilist die op dat punt voor Reve, Komrij of Hermans nauwelijks moet onderdoen. En of Uitgeverij Koppernik een fijne start heeft genomen.

Details Fictie
auteur: Wessel te Gussinklo
Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik
Jaar:
2014
Aantal pagina's:
240