Haruki Murakami, Waarover ik praat als ik over hardlopen praat

Sisyphos in Marathon

Enkele jaren geleden was er hier in het Westen nog niemand die van de naam Haruki Murakami gehoord had, maar zoals dat gaat met agressieve marketing- en reclamecampagnes is daar vlug verandering in gekomen. Ondertussen is er geen lezer meer aan wie we de Japanse auteur nog moeten voorstellen. Bij ons minder bekend is dat de gevierde schrijver van boeken als ‘De jacht op het schaap’, ‘Hard boiled Wonderland en het einde van de wereld’ en ‘Kafka op het strand’ naast een wat teruggetrokken zonderling ook een fanatieke hardloper is, die elk jaar een marathon en een triatlon aflegt. Murakami stelde zijn loopmemoires te boek en gaf ze dan nog eens uit ook. Dolletjes!

 

De vraag die gesteld moet worden is of het boek interessant is geworden voor een wijder publiek dan zijn behoorlijk uitgebreide schare fans. Op het eerste gezicht lijkt het een behoorlijk technisch boek over hardlopen te zijn, geschreven in de typische Murakami-stijl, droog, zonder veel emotie maar ongelooflijk solide verwoord, als een soort van Ernest Hemingway van het Oosten. Na een goede honderd pagina’s groeit uiteindelijk het besef dat dit boek slechts in eerste instantie over hardlopen gaat. Er is hier veel meer aan de orde, dingen van filosofische aard zelfs, zouden wij durven te stellen. Wij, analyserende schelmen.

 

De vraag die Murakami zich stelt is niet hoe een mens zou moeten leven, zo ijdel en onbescheiden kan hij niet zijn, maar wel hoe hij zijn leven leidt tot zijn eigen voldoening.

In zijn jonge twintiger jaren baatte hij een jazzclub uit, wat trouwens de locatie van zijn eerste roman ‘Ten zuiden van de grens’ werd, en hij was daar behoorlijk tevreden mee. Hij voelde het echter knagen in zijn borst en kreeg die aandrang, een bekend fenomeen bij literaire genieën, om iets te schrijven, alsof de woorden zich fysiek uit zijn hoofd naar zijn handen dwongen. Hij nam de gigantische sprong, sloot zijn horecazaak en begon aan zijn eerste serieuze boek te werken. Het was een risico van gargantueske proporties, maar iedereen weet intussen hoe zijn gok afgelopen is.

 

Ongeveer tezelfdertijd, zo rond zijn 33ste levensjaar, begon hij met hardlopen. Dat was eigenlijk een raar gegeven in het leven van de man, want nooit eerder voelde hij de aandrang om meerdere kilometers na elkaar te hollen. De combinatie van schrijven - wat hij door de combinatie van afzondering en in diepe gedachten verzonken zijn een inherent ongezonde bezigheid noemt - en lopen bleek de meest heilzame te zijn voor zijn geest.

 

Als je denkt dat je na het lezen van dit boek de geest van Murakami zal kunnen doorgronden, kom je van een kale reis thuis, want het boek roept meer vragen op dan het beantwoordt. Waarom begon hij tegelijk met hardlopen en schrijven? Wat drijft iemand om zichzelf 42 km, en in een ultramarathon zelfs 100 km, te kwellen en tot het uiterste te drijven? Een heel boek besteedt Murakami aan het rond deze vraag cirkelen, zonder er een echt antwoord op te geven. Slechts in één prachtige zin geeft hij een aanzet tot antwoord: 'Niets in de werkelijke wereld is zo mooi als de illusies gekoesterd door mensen die hun verstand verloren hebben.' Schrijven en lopen zijn soortgelijke oefeningen in het uit het oog verliezen van de werkelijkheid, werken van buitensporig grote afmetingen die toelaten om volledig te ontsnappen aan de wereld van de alledaagsheid. Is het dat dan?

 

Wij moeten het antwoord schuldig blijven, maar we kunnen je wel vertellen dat dit boek verstrooiend, grappig en bijwijlen diep leesvoer is voor fans en niet-fans van Murakami. 

Details Non-fictie
Originele titel:
Hashiru koto ni tsuite kataru toki ni boku no kataru koto
Auteur: Haruki Murakami
Uitgever: Atlas
Jaar:
2009
Aantal pagina's:
205