Vincent Van Duysen, ‘Works 2009 – 2018’

Wars van opzichtigheid

Geen minimalisme, wel essentialisme – zo worden de creaties van Vincent Van Duysen wel eens gekarakteriseerd. Het voorbije decennium zag de architect en designer zijn naambekendheid de Belgische landsgrenzen in alle windrichtingen overschrijden. Met lopende projecten van de VS tot het Midden-Oosten lijkt Van Duysen zijn vaderland stilaan ontgroeid. Toch engageert uitgeverij Lannoo zich voor een Nederlandstalige editie van ‘Works 2009 – 2018’. Op zich niet verwonderlijk, want enkele van Van Duysens meest spraakmakende bouwwerken zijn uit Vlaamse klei geboetseerd.

Van Duysens perfectionisme werd door een opdrachtgever ooit als ‘maniakaal’ bestempeld. In een tijdperk waarin grote architectenbureau’s in naam van stijl en creativiteit de meest exuberante ontwerpen afleveren, is fanatiek bezig zijn met soberheid en details een unicum. Zoals architectuurcriticus Marc Dubois in een boeiende epiloog toelicht, is afwerking voor Van Duysen evenwel geen bijzaak, maar een elementair onderdeel van de betreffende creatie. Net zoals zijn bouwwerken zich uitdrukkelijk en tegelijk delicaat tot het omliggende landschap verhouden, zo gaat ook het overkoepelende ontwerp een dialoog aan met de inwendige ruimte.

Buiten en binnen knopen dus een gesprek aan, waarbij het extra een verlengstuk wordt van de woonfunctie van het intra, van waaruit Van Duysen zijn residentiële projecten concipieert. Eigenlijk is diens architectuur een trasitiezone, een ontmoeting tussen de wijze waarop de opdrachtgever het wonen verstaat (wat het fundament vormt voor het ontwerp van het binnenin) en de manier waarop de architect materialen uit het daarbuiten meeneemt in de gevel. Denk wat dat betreft aan de woning in The Hamptons, waarvan in deze monografie enkele beelden zijn opgenomen.

Zoals het hoort zijn het doorheen ‘Works 2009 – 2018’ vooral de foto’s die spreken, al is de tekstuele duiding bij de realisaties cruciaal om het effect van bepaalde architecturale ingrepen ten volle te begrijpen. Niet zelden valt het aantal visuele bijdrages overigens mager uit wanneer deze worden afgewogen tegenover de schaalgrootte van de projecten. Een handvol foto’s kunnen onmogelijk laten zien waarin de veellagige originaliteit van de architectuur schuilgaat. Om die reden zijn de toevoegingen van grondplannen dankbaar: ze prikkelen de verbeelding, al blijft het soms wat in het duister tasten omtrent de concrete impact van bepaalde keuzes.

Hélène Binet en François Halard, die een aanzienlijk deel van de foto’s verzorgden, hanteerden echter een strikt esthetische visuele benadering, wat betekent dat de afbeeldingen zelden demonstratief zijn, maar steeds ontroerend potentieel bezitten in de hoedanigheid van kunstfoto’s. In zekere zin raakt het boek bijgevolg gevangen in een spreidstand tussen informatief-overzichtelijk en artistiek-ontroerend. De kleurenfilters, de nauwgezet gekadreerde composities, het ‘visueel essay’ als ouverture van het boek: het nodigt uit om Van Duysens werk tactiel te ervaren – een uitnodiging die een boek uiteraard nooit zelf kan waarmaken.

Wie integraal tot Van Duysens werk wil doordringen, stoot alleszins op een grens. De wervende introductie van Julianne Moore en de abstracte inleiding van Nicola di Battista zijn bijvoorbeeld weinig verhelderend. Laat dat echter slechts een kanttekening zijn bij een prachtig boek dat vooral inspireert, en een verwonderde inkijk biedt in hoe ambachtelijke meesterschap er in de 21ste eeuw uitziet.

Details Non-fictie
Architectuur wars van opzichtigheid
Uitgeverij: Lannoo
Aantal pagina's:
320