V/A, ‘De tuinbijbel’

Tussen oppervlak en diepte

Van ontwerp tot onderhoud: met ‘De tuinbijbel’ hebben Uitgeverij Lannoo en At Home Publishers een naslagwerk voor ogen dat een breed publiek moet kunnen bedienen. Zowel mensen met een toekomstig bouw- en/of tuinproject als min of meer doorwinterde tuinrotten vinden in dit boek immers hun gading. Logische consequentie is evenwel dat in de sterkte van deze publicatie ook een zwakte besloten ligt: deze inspiratiebijbel behandelt inderdaad zowat alle onderwerpen waar potentieel groene vingers mee te maken kunnen krijgen, zij het op enigszins oppervlakkige wijze. Geen van de topics wordt ten gronde uitgespit (pun intended!), maar valt dat te verwachten van een boek dat vooral gidsend bedoeld is?

Nee, deze profane bijbel schiet in feite niet aan zijn doel voorbij. Samenstellers Frank Berckmans en Grégory Mees stopten voor elk wat wils onder de beeldige kaft. In generieke termen leert deze publicatie een volstrekt onervaren publiek nadenken over de functies die een tuin kan en – voor de belevenis die de betreffende persoon voor ogen heeft – moet bieden. Aan de voor de hand liggende esthetische kenmerken koppelen de auteurs relevante randverschijnselen. Hoeveel werk wil iemand in zijn of haar tuin stoppen? Ligt de nadruk op diversiteit, dan wel op eenheid? Dient er evolutie in het ontwerp te zitten, of betreft het een cyclisch terugkerend recept? En hoe zit het met (klein)kinderen: moet de tuin voor hen toegankelijk zijn als recreatieoord, en welke veiligheidsvoorschriften dient men dan in acht te nemen?

Vanzelfsprekend geeft dit boek niet op alle vragen onmiddellijk een antwoord. Evident is dat een inspiratiebijbel vooral stof tot nadenken biedt. Toch laten Berckmans en Mees – beiden hebben hun naam vermoedelijk niet gestolen – de lezer niet compleet aan zijn lot over. Zo steken zij hun voorkeur voor rustgevende tuinen niet onder stoelen of banken, en plaatsen ze subtiel enkele kanttekeningen bij modegrillen die momenteel in zwang zijn. Niettemin behandelen ze het spectrum van functies die een tuin kan herbergen in volle omvang. Zo wordt er onderweg gereflecteerd over een eventuele kookfunctie, net zo goed als over types grasmaaiers en over soorten vegetatie. ‘De tuinbijbel’ mag diegenen zonder groene vingers en met een meer bourgondische ingesteldheid echter niet afschrikken, want ook zwembaden en terrasuitbreidingen komen aan bod.

De combinatie van enerzijds praktische aanwijzingen voor het inrichten van een zwemvijver of het ontwikkelen van een siervijver en anderzijds meer algemeen uiteenzettingen van alles wat bij een tuin komt kijken (diverse types afspanningen incluis): het heeft iets bizar. ‘De tuinbijbel’ is dan ook geen ideale lectuur om van A tot Z door te nemen, maar ook hier weer moet gezegd dat de auteurs hun publicatie nooit zo bedoeld hebben. Een overzichtelijk register en handige tips maken deze uitgave tot een handig naslagwerk, al zullen echte doe-het-zelvers sowieso bijkomende lectuur moeten raadplegen om aan de slag te kunnen gaan.

Het belangrijkste euvel is overigens niet de reikwijdte, maar de beperkte illustraties. Het boek mag dan boordevol afbeeldingen staan, te weinig worden tekst en beeld nauwkeurig aan elkaar gekoppeld. Dat maakt het voor de leek soms wat ondoorzichtig, en dat had niet gemoeten. Maar afgezien van deze kanttekening, is ‘De tuinbijbel’ een mooi startpunt voor wie met of in de tuin aan de slag wil.

Details Non-fictie
Uitgeverij: Lannoo
Aantal pagina's:
384